België gaat vooral niet akkoord met de invoering van een afkoelingsperiode van vier dagen na cabotage. Die afkoelingsperiode betekent dat vervoerders na drie cabotageritten gedurende vier dagen geen nieuwe cabotage meer mogen ondernemen in dezelfde lidstaat.

‘Deze regel beperkt de toegang tot belangrijke markten in onze buurlanden, in het bijzonder in Frankrijk. Dit kan het verdienmodel van Belgische en Vlaamse transportbedrijven onderuithalen’, aldus Peeters.

‘De internationale vervoersactiviteit van onze transportsector concentreert zich in onze buurlanden. Vooral voor de talrijke kleinere spelers die actief zijn op de Franse en de Duitse markt is deze regel zeer nadelig. Net het feit dat onze wegvervoerders op de terugweg van een internationaal transport nog cabotageoperaties kunnen uitvoeren, maakt dat de transportsector nog leefbaar is, ondanks de hoge loonkosten in dit land. De Belgische markt is zelf te klein om het verwachte verlies aan ritten op te vangen.’

Competitieve wegvervoermarkt

Peeters geeft wel toe dat de nieuwe regelgeving ook positieve elementen bevat, die een meer competitieve wegvervoermarkt in de EU creëren, met betere en eerlijkere arbeidsvoorwaarden voor de werknemers. De transportcommissie van de Europese Unie bereikte hierover in de zomer van 2020 een akkoord, na bijna drie jaar onderhandelen. De nieuwe regels voor de toegang tot het beroep en tot de markt, de rij- en rusttijden en de tachografen en de handhaving en detachering van bestuurders in de wegvervoersector traden toen al in werking. Andere regels, waaronder de cabotageregeling, worden pas van toepassing in februari 2022.