De internationale chauffeurs moeten daardoor sociale premies aan Nederland betalen, oordeelt de Centrale Raad van Beroep (CRvB). De Nederlandse rechter volgt daarmee de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 16 juli.

In Nederland gevestigd

Het gaat in deze zaken om internationale vrachtwagenchauffeurs die in Nederland wonen en die werken voor in Nederland gevestigde vervoersondernemingen. Oorspronkelijk waren de meesten van hen in loondienst van die vervoersondernemingen. Sinds 2011 hebben de chauffeurs een overeenkomst met het op Cyprus gevestigde uitzendbureau AFMB, dat vanaf dat moment het salaris betaalde en de daarover verschuldigde premies afdroeg in Cyprus. Volgens het EU-recht is de wetgeving van toepassing van het land waar de werkgever is gevestigd. Het Europese Hof bepaalde afgelopen zomer dat voor de vraag wie de werkgever is, het erom gaat wie feitelijk het gezag over de werknemer uitoefent, wie feitelijk de loonkosten draagt en wie feitelijk de bevoegdheid heeft om de werknemer te ontslaan.

De CRvB concludeert dat het Cypriotische bedrijf hieraan niet voldoet, zodat de Nederlandse transportondernemingen als werkgever moeten worden aangemerkt. De SVB heeft daarom terecht de Nederlandse wetgeving op de betrokken chauffeurs van toepassing verklaard.

Het uitzendbureau AFMB is er sinds de oprichting steeds heilig van overtuigd geweest dat het de randen van de wet kon opzoeken zonder over de schreef te gaan, maar het Europese Hof van Justitie en nu de Nederlandse rechtbank zijn bepaald niet de eerste gerechtelijke instantie die daar toch een heel andere kijk op heeft.

Naheffing

Zo bepaalde de kantonrechter in Leeuwarden vier jaar geleden al dat het uitzendbureau een naheffing van 360.000 euro plus rente moest betalen aan het bedrijfspensioenfonds voor het beroepsvervoer. Het bureau tekende beroep aan, maar afgelopen maart bepaalde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat AFMB wel degelijk pensioenpremie voor de chauffeurs moet betalen.

Belangrijk onderdeel in de uitspraken is dat de chauffeurs vrijwel allemaal in Nederland woonden, door Nederlandse transportbedrijven zelf geselecteerd en in dienst werden genomen en vervolgens voor rekening en risico van die ondernemingen werkten.Veel van de betrokken vrachtwagenchauffeurs werkten al voor de bewuste transportbedrijven vóórdat ze arbeidsovereenkomsten met AFMB sloten. Voorts werden de loonkosten voor de betrokken chauffeurs de facto, via de aan AFMB betaalde commissie, gedragen door de vervoersondernemingen. Bovendien leken de vervoersondernemingen feitelijk bevoegd te zijn om die chauffeurs te ontslaan.

AFMB stelt een Cypriotische onderneming te zijn die onder het Cypriotische recht valt, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden merkte afgelopen voorjaar al op dat het bedrijf zelf bepaald niet geheimzinnig doet over zijn Nederlandse wortels. Klanten worden op de website van de onderneming toegesproken in vloeiend Nederlands: er is geen woord Cypriotisch bij.

Met de uitspraak van de CRvB lijkt er nu definitief een einde te komen aan de Cyprus-route, die vooral bedoeld was om Nederlandse wetgeving en belastingen te omzeilen voor vrachtwagenchauffeurs.