Op 1 maart 2020 trad de werknemer als chauffeur in dienst bij Anne Transport. Dat leidde tot een veroordeling bij de kantonrechter van 11.000 euro, te betalen aan Meijndert als voorschot op de gevorderde contractuele boete voor het niet nakoming van het concurrentiebeding. De chauffeur ging tegen die uitspraak in hoger beroep bij het Gerechtshof. Hij verzocht het hof het concurrentiebeding te vernietigen, althans te schorsen met ingang van 1 maart 2020, zodat het hem is toegestaan om vanaf die datum in dienst van Anne als chauffeur werkzaam te zijn.

Het hof stelde vervolgens vast dat (partijen het erover eens zijn dat) Meijndert en Anne concurrerende ondernemingen zijn en dat de werknemer met zijn indiensttreding bij Anne op zichzelf in strijd met het concurrentiebeding heeft gehandeld. De rechter oordeelde echter ook, dat Meijndert de chauffeur niet aan het concurrentiebeding kan houden op grond van een afweging van de wederzijdse belangen. Het hof stelde daarbij dat een concurrentiebeding geen bescherming biedt tegen het vertrek van een ervaren werknemer en tegen de indiensttreding van die werknemer bij een concurrent. Het beding is niet bedoeld om werknemers te binden, maar heeft als doel de aantasting van het zogeheten bedrijfsdebiet (de opgebouwde knowhow en goodwill) te voorkomen. Tegen deze achtergrond oordeelde het hof dat het enkele feit dat de werknemer bij een concurrerende onderneming in dienst treedt, hoe vervelend dat ook is voor dat bedrijf, geen door het concurrentiebeding beschermd belang van Meijndert oplevert.

Hierbij speelde mee dat Meijndert niet heeft aangegeven dat er concrete schade is geleden. De wegvervoerder had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door het overstappen van de werknemer naar een concurrent in haar bedrijfsdebiet is geschaad. Het hof achtte daarbij onder meer van belang dat de werknemer geen commerciële functie vervult waarbij hij op de hoogte is van essentiële relevante (commerciële en technische) informatie of van unieke werkprocessen die Anne kan gebruiken om te concurreren met Meijndert.

Het was volgens de rechter ook evident dat de werknemer, zoals iedere werknemer, er belang bij heeft om vrij te zijn in de keuze van een opvolgend dienstverband. De werknemer heeft aangevoerd dat hij al 25 jaar als internationaal chauffeur in het tanktransport werkzaam is geweest en dat een baan als vrachtwagenchauffeur (waartoe hij bij handhaving van het non-concurrentiebeding veroordeeld zou zijn) een achteruitgang in salaris van 400 euro per maand zou betekenen, wat het hof een aanzienlijke positievermindering achtte. De belangen tegen elkaar afwegend oordeelde het hof dat het belang van de werknemer om van de werking van het concurrentiebeding ontheven te worden groter is dan het belang van Meijndert bij handhaving daarvan. Het hof schorste het concurrentiebeding.

Epke Spijkerman, advocaat