De chauffeur was sinds eind 2018 in dienst bij de werkgever, op basis van een arbeidsovereenkomst voor zes maanden. In maart 2019 had de werknemer een arbeidsongeval gehad en sindsdien is hij arbeidsongeschikt. Medio 2019 is de werknemer aangepaste werkzaamheden als chauffeur gaan verrichten voor een beperkt aantal uren per week. Daarvoor werd de arbeidsovereenkomst voortgezet tot december 2019. Begin november 2019 deelde de werkgever aan de werknemer mee dat zijn arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd.

De werknemer verzocht vervolgens om toekenning van een billijke vergoeding van 25.000 euro bruto, aangezien de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet vanwege de arbeidsbeperkingen die hij als gevolg van het bedrijfsongeval heeft opgelopen. Dat verzoek eindigde uiteindelijk voort de rechter.

De kantonrechter oordeelde in de zaak dat er sprake was van een chronische ziekte of handicap zoals bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz). De werknemer had immers een arbeidsongeval gehad, waarbij hij ernstig lichamelijk letsel en langdurige lichamelijke en psychische beperkingen had opgelopen. Bovendien heeft de werknemer voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om te vermoeden dat de werkgever de arbeidsovereenkomst daarom niet heeft verlengd.

Zo heeft de werknemer eind 2019 tegen de werkgever gezegd dat zijn werkzaamheden te zwaar waren vanwege zijn beperkingen en heeft de werkgever enkele dagen daarna meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd zou worden, omdat de werkgever niet op de werknemer kon rekenen. Dit doet vermoeden dat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet vanwege de beperkte inzetbaarheid van werknemer, dus vanwege zijn chronische ziekte of handicap. Daarbij speelt een rol dat in de e-mail van de werkgever als reden om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen, wordt vermeld dat het functioneren van de werknemer niet past binnen het bedrijf van de werkgever, terwijl eerder door de werkgever is gegeven dat de werknemer naar behoren functioneert.

De werkgever heeft geen bewijs geleverd dat niet in strijd met Wgbh/cz is gehandeld. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer niet heeft verlengd vanwege de chronische ziekte of de handicap van werknemer en daarmee ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het verzoek van de werknemer wordt derhalve toegewezen. Rekening houdend met goede en kwade kansen gaat de kantonrechter ervan uit dat het dienstverband nog maximaal zes maanden had voortgeduurd. Met een billijke vergoeding van € 7.500 bruto wordt de werknemer naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gecompenseerd, mede gelet op zijn leeftijd, de duur van het dienstverband en de ernst van het verwijtbaar handelen van werkgeefster.