Fraude met rij- en rusttijden vindt al decennia plaats in het wegvervoer. Door de komst van de tachograaf moest dat de kop worden ingedrukt. Maar hoewel er steeds weer modernere versies van de tachograaf werden ontwikkeld, wisten de rotte appels in de mand toch telkens nieuwe manieren te vinden om met de apparaten te sjoemelen. De ILT staat dan ook voor een stevige opgave om deze fraude op te sporen.

De dienst meldde in februari 2019 al dat vervoerders steeds innovatievere methodes gebruiken om de geregistreerde rij- en rusttijden te manipuleren. De toezichthouder twijfelde daarom zelfs openlijk aan het nut van de tachograaf als opsporingsmiddel voor dergelijke vormen van criminaliteit. In een brief aan de minister maakte de ILT destijds melding van deze zorgelijke ontwikkeling, in de hoop dat de politiek maatregelen zou nemen. Dat is slechts op beperkte schaal gebeurd. Het boetebedrag is grofweg verdubbeld en er kwam een mogelijkheid om de bevoegdheidspas van monteurs in te trekken.

Hoewel beide maatregelen zeer welkom zijn, zijn het beide repressieve acties. Ze vergroten de pakkans amper. Die kans is laag, onder meer doordat het aantal inspecteurs dat zich met deze vorm van fraude bezighoudt, niet in verhouding staat tot het aantal vrachtwagens dat over de Nederlandse wegen rijdt. De kans om weg te komen met fraude is daardoor groot, waardoor juist de bonafide vervoerders worden benadeeld. Het is dan ook begrijpelijk dat de inspectiedienst in zijn recent gepubliceerde jaarverslag opnieuw aandacht vraagt voor deze problematiek.

Het is te hopen dat de minister en de Tweede Kamer het jaarverslag van ILT grondig doorspitten en besluiten om over te gaan tot concrete acties, bijvoorbeeld het verhogen van het aantal inspecteurs. Daarmee zou het deel van de sector dat zich wél aan de regels houdt en vanwege corona toch al moeilijke tijden doormaakt, een hart onder de riem worden gestoken.