Ja, waarom samenwerking? Je bent toch concurrenten van elkaar?

Dat klopt. Een familiebedrijf is dikwijls heel flexibel bij de bediening van zijn klanten. Dat is een goede eigenschap, maar wie dit elk voor zich blijft doen, onthoudt zich de voordelen van samenwerking. Aansluiting bij andere familiebedrijven, op nationaal, Benelux- en Europees niveau stelt je in staat om lading met elkaar uit te wisselen en zo te voorkomen dat je zelf met enkele zendingen lange ritten moet maken. Het scheelt kosten en vermindert vaak ook de CO2-uitstoot die de verzending van een pakket of pallet veroorzaakt.

In uw brief schrijft u dat Nederlandse transporteurs eerder tot zulke samenwerking geneigd zijn dan Belgische. Waar ligt dat aan?

Het is waar dat Nederlandse familiale bedrijven zich de voorbije jaren wat sneller bij netwerken hebben aangesloten dan Vlaamse en zeker Waalse bedrijven. Maar ik zie in de hele Benelux tegelijk dat heel wat ondernemers in het wegvervoer elkaar nu opzoeken. Corneel Geerts is daarmee al vele jaren geleden begonnen. Het richtte zelf Distri 24 op, een netwerk voor de uitwisseling van lading in de Benelux, met een twaalftal partners in Nederland en Luxemburg. Ons bedrijf is verder lid van TransMission, inderdaad een Nederlands initiatief, maar het omvat inmiddels partners in de hele Benelux. Dat zijn redelijk uit de kluiten gewassen familie-ondernemingen.

Wat levert die samenwerking op?

Besparingen in de fijndistributie. Je komt tegenwoordig steden moeilijker binnen wegens venstertijden en andere beperkingen. Het wordt dus steeds duurder met een eigen vrachtauto die maar ten dele beladen is goederen naar een stad te transporteren waar je zelf geen depot hebt. Het effect is dat de chauffeur lange ritten moet maken en her en der op afleveradressen lading moet lossen. Via TransMission wisselen we met andere, soortgelijke bedrijven in de hele Benelux lading uit bij de depots van de partners. Die partners zorgen er daarna voor dat de lading opnieuw wordt gebundeld en, steeds meer met elektrische wagens, in een stad wordt uitgeleverd. Samen rijd je veel minder lege kilometers. Dat scheelt in chauffeurskosten, in de uitstoot van milieuvervuilende stoffen en het beperkt ook de opstoppingen op de wegen.

Uw bedrijf nam vorig jaar een belangrijk deel van de vertegenwoordiging van TransMission over in België en Luxemburg. Wat was daarvan de reden?

We hadden grote moeite goede partners in het zuiden van België te vinden. Zelf heeft Corneel Geerts eigen depots in Wijnegem, Beernem en Maasmechelen, dus mooi over Vlaanderen gespreid. In Wallonië lag ons probleem. Door de overname van een depot in Vilvoorde, bij Brussel, konden we ons netwerk uitbreiden tot Brussel zelf, Doornik, Namen en Charleroi, en kunnen we nu ook Wallonië goed bestrijken. De vertegenwoordigingen in Deinze en Luxemburg blijven in handen van anderen, maar we werken met hen natuurlijk nauw samen.

Corneel Geerts is ook aangesloten bij de IFA, de International Forwarding Association. Een samenwerkingsverband van veelal middelgrote transporteurs, maar dan op pan-Europese schaal. Bevalt die samenwerking?

Bij de IFA zijn al zowat vijftig bedrijven aangesloten, over geheel Europa gespreid. In augustus 2017 namen we een andere partner in het IFA-netwerk over, Jacob Meijer in Venlo. Venlo is een prachtige hub, een draaischijf voor vervoer van en naar de havens van Antwerpen en Rotterdam, maar ook naar het Ruhrgebied en verderop. En IFA geeft ook middelgrote bedrijven de mogelijkheid om lading te distribueren naar pakweg Bulgarije, Scandinavië, Spanje, Portugal, Groot-Brittannië. Dat zijn bestemmingen waar je met halflege wagens niet naartoe zou willen. IFA biedt ons verdere voordelen, zoals gezamenlijke inkoop van 45-voets containers, voor intermodaal transport over het spoor.

Hoe staat het met uw opvolging? Niet dat u er al aan toe zou zijn, maar in heel wat familiebedrijven is dat opvolgingsvraagstuk lastig…

Bij Corneel Geerts niet. Ik heb drie zoons, van 30, 28 en 21 jaar. Ze hebben interessen die elkaar goed aanvullen. Eén van hen noemen we de ‘transporteur’, hij houdt zich graag bezig met techniek. De tweede is een goede financiële analist en ingewijd in ICT. De derde werkt nu op de Benelux-planning. Over mijn opvolging dus geen zorgen. Maar wat nemen ze over? Ons vak wordt niet voldoende gerespecteerd. Er komt wel meer lading, maar het blijft hard knokken. Je moet meer digitaliseren en daarin dus investeren, terwijl de marges onder druk blijven staan. We haalden vorig jaar een omzet van plus 22%. Ons rendement is positief, maar we zeiden niet: hoera, hoera.