In 2013 en 2014 constateerden inspectiediensten bij invallen dat Wetron Internationale Transporten zich niet aan de regels zou hebben gehouden. De bezoeken vonden plaats na eerdere signalen dat zaken niet in orde zouden zijn.

Volgens de inspecteurs maakte het bedrijf gebruik van Roemeense chauffeurs en overtrad het daarbij de regels, onder meer doordat een deugdelijke ritten­administratie ontbrak. De vervoerder, met kantoren in Weert en Tegelen, kreeg hiervoor een boete van aanvankelijk 132.000 euro en ging hiertegen in het verweer. Tijdens de verweerprocedure werd de boete tweemaal verlaagd, waardoor een bedrag overbleef van 41.000 euro.

Eerdere zitting

De toenmalige directie was het met de verlaagde boete ook niet eens. Ze kon zich niet vinden in de gedachte dat het bedrijf de werkgever was van de betreffende chauffeurs en daarom een rittenadministratie moest bijhouden. Dit omdat de chauffeurs in dienst waren van een Roemeense onderneming. Wetron wilde daarin zijn gelijk halen bij de Raad van State, nadat het vorig jaar bij de rechtbank in Limburg ook al nul op het rekest kreeg.

De Limburgse rechter oordeelde in die eerdere zitting dat Wetron wel degelijk de werkgever was van de chauffeurs. Belangrijk hierbij was onder meer het feit dat de toenmalige directeur van Wetron ook directeur was van het in Roemenië gevestigde bedrijf waar de chauffeurs in dienst waren.

Zo zou hij de ritplanning bepalen en de chauffeurs van beide bedrijven aansturen. Daarom was sprake van werkgeverschap van Wetron, was de redenering. Gezien het aantal overtredingen en de ernst ervan, was de boete passend, oordeelde de rechter in Limburg vorig jaar.

Opdrachten doorgegeven

Daar was de directie van Wetron het niet mee eens. De transporteur betoogde dat juist het Roemeense bedrijf als werkgever fungeerde. Dat voerde het werk immers uit en voerde ook het gezag over die werkzaamheden.

Weliswaar ontving Wetron de transportopdrachten, maar deze werden doorgegeven richting ‘Roemenië’. Het bedrijf daar zorgde ook dat lading en opdracht werden gekoppeld aan voertuig en chauffeur. Bovendien stuurde het Roemeense bedrijf de chauffeurs aan en zorgde voor loonbetalingen.

Dat Wetron op de vrachtbrieven stond als vervoerder, was naar eigen zeggen niet relevant. Dit zou slechts een aanduiding zijn van de rol als contractuele tegenpartij. Bovendien stond het Roemeense bedrijf ook op de brieven, als tweede vervoerder.

Wetron was daarom van mening dat de verplichte rittenadministratie niet door hen, maar door het Roemeense bedrijf moest worden gedaan. De vervoerder besloot zich daarom niet neer te leggen bij het verdict van de rechtbank in Limburg en procedeerde door. Echter, dat leidde uiteindelijk tot dezelfde slot-som.

Gezagsverhouding

Volgens de Raad van State was namelijk wél sprake van een werkgeversrol van Wetron. Weliswaar was er geen arbeidsovereenkomst, maar wel was er een gezagsverhouding, waarbij de Limburgse vervoerder optrad als leidinggevende van de chauffeurs. Zij zouden de instructies uit Limburg op dienen te volgen en voor hun rij- en rusttijden afhankelijk zijn geweest van het bedrijf.

Ook was Wetron volgens de Raad van State verantwoordelijk voor de ritplanning. Tevens zou het bedrijf zowel de eigen chauffeurs als de Roemeense aan hebben gestuurd. Een constatering die volgens de Raad van State tijdens de zitting niet is tegengesproken door Wetron.

Daarnaast leverde de Limburgse vervoerder geen tegenbewijs waaruit zou blijken dat juist het bedrijf in Roemenië de chauffeurs aanstuurde. Ook woog het rechtsorgaan mee dat telkens Wetron als vervoerder stond vermeld op de vrachtbrieven. Daarmee is aangetoond dat er een gezagsverhouding is tussen de chauffeurs en Wetron, die als werkgeverschap kan worden gezien. Het bedrijf was daarom verplicht een rittenadministratie bij te houden.

Te laat

Overigens heeft Wetron in 2015, dus na ontvangst van de boetes, alsnog de betreffende rittenadministratie overgelegd. Toch deed dat de Raad van State niet van gedachten veranderen, onder meer omdat de gegevens te laat waren aangeleverd. Daarnaast moet een werkgever ‘worden geacht op de hoogte te zijn van de verplichtingen die uit de Atw (Arbeidstijdenwet, red.) volgen’, aldus de Raad van State.

Als de voormalige directie van Wetron van mening was dat het Roemeense bedrijf als werkgever optrad, was het logisch om dat zo snel mogelijk bij de inspecteur te melden, vond het rechtsorgaan. Ook omdat op dat moment de directeur van Wetron eveneens de directeur van het Roemeense bedrijf was en daarom sowieso over de rittengegevens had moeten beschikken. De Raad van State besloot daarom de uitspraak van de Limburgse rechtbank in stand te houden.

Verbaasd

Kevin Vierhout van advocatenkantoor Vallenduuk vertegenwoordigde het vervoersbedrijf en is uiteraard niet gelukkig met de uitspraak. Hij verbaast zich vooral over het feit dat het aanleveren van de rittenadministratie in 2015 te laat was.

‘Toen eenmaal duidelijk was dat Wetron de werkgever was, hebben we meteen de gegevens aangeleverd. Ik vind het vreemd dat de Raad van State zegt dat dat te laat is. Eerst moest duidelijk worden of mijn cliënt inderdaad werkgever was. Toen dat duidelijk was, hebben we volledig meegewerkt.’

Dat de toenmalig directeur van Wetron ook directeur was bij het Roemeense bedrijf maakte voor Vierhout niet meteen duidelijk dat Wetron daarmee ook werkgever was. ‘De dagelijkse leiding in Roemenië was namelijk helemaal niet in handen van mijn cliënt.’ De Raad van State was echter onverbiddelijk en hield vast aan de boete. In beroep gaan tegen die uitspraak is niet mogelijk, waarmee de geldstraf van 41.000 euro definitief is geworden.