De meeste lidstaten uit Midden- en Oost-Europa willen niets liever dan verdere liberalisering van de regelgeving. De landen uit het Westen zijn daar tegen, omdat het ongewenste toestanden meebrengt en leidt tot verdringing van West-Europese bedrijven en hun chauffeurs.

Wie hier de kool is, en wie de geit, laten we in het midden. Een feit is dat elke poging om de standpunten bijeen te brengen tot mislukken gedoemd is. De EU worstelt met de gevolgen van de snelle uitbreiding met lidstaten waarin de levensstandaard – lees in dit verband: de arbeidsvoorwaarden van chauffeurs – een stuk lager is dan in het Westen. In combinatie met het beginsel van vrij verkeer van goederen, diensten en mensen leidt dit onvermijdelijk tot ontwrichting van de concurrentie.

Daarom loopt de Europese vakbeweging te hoop tegen een verdere versoepeling van de cabotageregels, zoals voorgesteld in het jongste ‘mobiliteitspakket’ van de Europese Commissie. Op de naleving van de bestaande bepalingen wordt al onvoldoende toegezien. Chauffeurs uit Oost-Europese landen verrichten in het Westen op grote schaal werk dat eerder aan chauffeurs uit het ‘gastland’ zelf was voorbehouden. In het internationale en bilaterale vervoer hebben bedrijven die met goedkope chauffeurs uit nieuwe lidstaten werken de laatste tien jaar een dominante positie opgebouwd.

De vakbeweging pleit, terecht, voor bestrijding van sociale uitwassen. De onwenselijkheid hiervan wordt overigens niet alleen door ‘westerse’ vakbonden onderstreept, maar ook door collega-bonden in Midden- en Oost-Europa. Eigenlijk zijn ook werkgeversorganisaties het met de bonden wel eens.

Aan de andere kant is verdere liberalisering ook verdedigbaar. Het Europese wegvervoer zucht onder administratieve rompslomp die met de huidige cabotageregels samenhangt. Beperking van cabotage is ook in strijd met het Europese ideaal van vrij goederenverkeer. In Brussel voeren organisaties als de Clecat (expediteurs en expresvervoerders) en de IRU (de internationale wegvervoersorganisatie) een pleidooi voor versoepeling, omdat die de bedrijfstak efficiënter en sterker maakt.

Uiteindelijk zal het daar ook wel van komen. De lonen groeien geleidelijk naar elkaar toe. We bevinden ons in een overgangstoestand, die vooral vraagt om correcte handhaving van de regels. Dát is ook precies het terrein waarop een compromis binnen de EP-transportcommissie wel haalbaar is. Zie scherper toe op de naleving van wetten en richtlijnen. Hier wordt ook al vele jaren, door alle partijen in de markt, om gevraagd, maar tot dusver heeft de Unie daar onvoldoende werk van gemaakt. Als we die stap nu kunnen zetten, is er al veel gewonnen.