Als het aan het Europees Parlement ligt, moet de transportsector in 2030 12% van haar energie uit hernieuwbare bronnen halen.


De CO2-uitstoot van de mobiliteitssector is in Nederland ongeveer 30%. De lidstaten worden opgeroepen om wetgeving te maken die voorziet in het behalen van deze doelstellingen. Dit betekent dat in 2030 12% van de transportsector gebruik moet maken van bijvoorbeeld elektrische trucks of vrachtwagens op biobrandstoffen. Daarbij moet vooral worden ingestoken op duurzame biobrandstoffen. Van het weg- en spoorvervoer mag daarom maximaal 7% rijden op zogenaamde ‘eerste generatie biobrandstoffen’, die worden gemaakt van voedsel- en voedergewassen. Biobrandstof uit palmolie wordt helemaal verboden.

Prijskaartje op CO2

Het aandeel van hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong, fossiele brandstof op basis van afval, hernieuwbare elektriciteit en geavanceerde biobrandstoffen moet in 2021 minimaal 1,5% zijn. In 2030 moet dit percentage zijn gestegen naar 10. Daarbij valt ook te denken aan varianten als synthetisch methaan, dat kan worden gemaakt door afgevangen CO2 te laten reageren met waterstof. Het CO2 dat bij zulke technieken gebruikt wordt, moet worden verrekend met het CO2 dat na verbruik weer vrijkomt.

De mobiliteitssector zorgt voor circa 30% van de CO2-uitstoot, benadrukken drie auteurs van organisatieadviesbureau Berenschot in een opiniestuk in het FD, en toch hangt er nog steeds geen prijskaartje aan de CO2-uitstoot in de sector. Zelfs als Nederland hierin alleen opereert, zou de overheid moeten zorgen voor een eerlijke en transparante doorbelasting van CO2-kosten voor weg, spoor, binnenvaart en luchtvaart, vinden de adviseurs.

Gelijk speelveld
In plaats van elk vervoersmiddel een eigen doelstelling voor CO2-reductie te geven, stellen zij, moet de overheid zorgen voor een integraal beleid en een gelijk speelveld waarin mensen zich zo efficiënt en duurzaam mogelijk verplaatsen. De sector krijgt dan zelf een extra prikkel om de CO2-uitstoot te reduceren, verwachten zij, en de consument zal andere keuzes maken.

Op korte termijn moeten we dan misschien accepteren dat de concurrentiepositie van Nederland er op achteruit gaat, verwachten zij, maar op langere termijn zal het bedragen aan het behalen van de CO2-doelstellingen, en het verbeteren van de levenskwaliteit.