Diverse gemeenten en provincies hadden hun zorgen geuit over overschrijdingen van de risicoplafonds voor het vervoer van gevaarlijke stoffen op de Brabantroute en Bentheimroute. Vanwege werkzaamheden aan het derde spoor in Duitsland worden goederentreinen vaker omgeleid via deze routes.

De risicoplafonds dienen volgens Van Veldhoven als prikkel voor de goederenvervoerders om te kiezen voor bepaalde routes, zoals de Betuweroute. ‘Een overschrijding van een plafond betekent echter niet dat er sprake is van een overtreding door de vervoerder.’

Daarmee reageert ze op berichten van diverse media over dat er regels zouden zijn overtreden. Ze wijst er echter wel op dat in het geval van ‘een geconstateerde overschrijding van de risicoplafonds de minister maatregelen moet onderzoeken die overschrijdingen tenietdoen of voorkomen’.

Risicoplafonds

Het externe veiligheidsbeleid voor het transport van gevaarlijke stoffen is sinds 2015 vastgelegd in Wet Basisnet. Voor de basisnetroutes heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat risicoplafonds vastgesteld. Hiervoor wordt met een plaatsgebonden risicocontour gewerkt, ook wel PR 10-6 contour genoemd.

Dat betekent dat er geen woningen mogen staan op plaatsen waar het risico op overlijden door een ongeluk met een goederentrein met gevaarlijke stoffen groter is dan één op een miljoen per jaar. ‘Aan deze norm wordt in heel Nederland voldaan’, zegt Van Veldhoven.

De veiligheid van transport van gevaarlijke stoffen is geregeld door Europese wetgeving en doorgevoerd in nationale wetgeving. ‘Daarbovenop hebben wij in Nederland met de Wet Basisnet extra aanvullende regelgeving gemaakt om de kans op een ongeluk zo beperkt mogelijk te maken.’

Vervoer Betuweroute

De bewindsvrouw schrijft dat in ‘een poging om vervoerders te stimuleren het vervoer van gevaarlijke stoffen maximaal via de Betuweroute af te wikkelen’, op sommige andere trajecten zoals de Brabantroute en de Bentheimroute, de plaatsgebonden risicocontour ‘kunstmatig dicht’ op het spoor is gelegd.

Dat is volgens haar gedaan door het risicoplafond lager te leggen ‘dan vanuit het oogpunt van veiligheid nodig is’. ‘Daardoor ontstaat bij extra vervoer snel een overschrijding van de risicoplafonds terwijl de veiligheidsnorm voor de dichtbijgelegen woningen niet wordt overschreden.’

Waterbedeffect

De staatssecretaris wijst dat ze een routeringsbesluit als handhavingsinstrument in kan zetten om vervoer van bepaalde stoffen over een bepaald traject gedurende een bepaalde periode te verbieden. Volgens haar zal een routeringsbesluit op één traject echter vanwege beperkte vervoersalternatieven leiden tot een waterbedeffect, waardoor er overschrijdingen op andere trajecten ontstaan.

Ze geeft aan het nemen van een routeringsbesluit in de toekomst niet uit te willen sluiten, maar ziet dit als laatste remedie. Ze wil eerst inzetten om met alle betrokken partijen om tafel te gaan om tot ‘een robuust basisnet voor heel Nederland’ te komen.

Verdeling modaliteiten

In Nederland gaat het vervoer van de gevaarlijke stoffen voor 52% via buisleidingen en 40% via de binnenvaart. Via de weg is dit 6,5% en via het spoor 1,4%. ‘Indien sprake is van een incident met een trein met gevaarlijke stoffen beschikt ProRail op basis van de wagenlijst, die voor vertrek door de vervoerder bij ProRail wordt ingediend, over actuele ladinginformatie. Deze informatie verstrekt ProRail binnen vijftien minuten aan de hulpdiensten, zodra daar behoefte aan ontstaat’, aldus Van Veldhoven.

De staatssecretaris schrijft dat ze ondanks de beperkte risico’s de zorgen van gemeentes en provincies zeer serieus neemt. Nieuwe besluitvorming over risicoplafonds zal niet voor medio 2020 aan de orde zijn.