Een en ander betekent wel dat de bestaande noodprocedures, de zogeheten work-around, tot zeker begin volgend jaar van kracht blijven, stelt woordvoerder Coen van Kranenbrug van ProRail in een toelichting. Het grote probleem voor de railvervoerders op het emplacement Waalhaven Zuid is daarbij dat er niet met wagons met gevaarlijke stoffen mag worden gerangeerd uit veiligheidsoverwegingen, legt hij uit.

Logistiek gezien kunnen we om de problemen heen werken, dankzij afspraken die we het afgelopen jaar hebben gemaakt met railgoederenvervoerders en de verladers. De situatie houdt in dat gebruikers voorlopig moeten uitwijken naar Kijfhoek en andere emplacementen in het havengebied.’

Deze oplossing zorgt echter wel voor ‘hogere kosten bij de spoorvervoerders in een concurrentiegevoelige markt’, erkent de woordvoerder. ‘Naast vervoerders moeten ook andere ketenpartners en de verkeersleidingspost extra inspanningen plegen om het goederenvervoer veilig te laten rijden.’

Compensatie

Voor de gedupeerde klanten heeft Prorail daarom een compensatieregeling opgetuigd zodat de extra gemaakte kosten voor onder meer het inhuren van meer personeel en het langer gebruik van locomotieven ‘hen niet te hard raken’. In het ‘belang van klanten’ wil ProRail de exacte bedragen niet noemen.

Volgens de spoorbeheerder is uit recente tests gebleken ‘dat het tijdelijke systeem dat we met extern ingehuurde experts hadden ontwikkeld, niet goed genoeg in elkaar zit om te voldoen aan de eisen van omgevingsdienst DCMR en Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Daarom is uiteindelijk gekozen om de problemen op Waalhaven Zuid van grond af aan opnieuw op te lossen.

Daarbij wordt ingezet op een specifiek nieuw veiligheidsregime voor het Rotterdamse emplacement in het eerste kwartaal van 2021. ‘Een landelijke oplossing moet dan in 2023 klaar zijn, in combinatie met aanpassingen aan het emplacement om langere en meer treinen mogelijk te maken. De definitieve bluswatervoorziening moet in dat concept passen.’

Weerbarstig

De eerste problemen rond de blusinstallatie op Waalhaven Zuid dateren van medio september 2019. Destijds verzochten DCMR en VRR aan ProRail om een integrale test van de inzet van de bedrijfsbrandweer en het functioneren van de bluswatervoorziening uit te voeren. De test ging niet goed. Het bluswatersysteem voldeed niet. Per direct is daarbij het rangeren met gevaarlijke stoffen door de spoorbeheerder gestaakt.

Daarna is het railinfrabedrijf op zoek gegaan naar alternatieven. Daarbij leek de aanleg van een tijdelijk blussysteem de beste optie. De praktijk bleek weerbarstiger, aldus Van Kranenburg. ‘Het systeem is nooit eerder aangelegd en moet het hele rangeerterrein onder alle omstandigheden kunnen bestrijken. Dat is vooral door de enorme hoeveelheden water die moeten worden verplaatst een grote uitdaging.’

Eind oktober werd een tijdelijk systeem aangelegd. De integrale test van dat systeem, begin november, was ook geen succes. Zo raakte een slang los van een manchet en moesten verdere proeven worden gestaakt.

‘We hebben door deze laatste tegenslag de tijd genomen om goed te analyseren wat er was misgegaan en wat mogelijke oplossingen waren.’ Dat resulteerde in januari van dit jaar in een tweede test. Ditmaal bleek het blussysteem te functioneren en gaven VRR en DCMR het groene licht, maar  stelden wel enkele voorwaarden. Zo moest ProRail nog een extra proef uitvoeren onder extra hoge druk (18 bar).

Tijdens die laatste proef, op 23 februari, bleek de installatie niet te werken. In totaal heeft ProRail zo’n vijftien mensen ingezet sinds een half jaar om de problemen op Waalhaven Zuid technisch op te lossen, zegt de woordvoerder. ‘Deze mensen werken onder grote druk, waarvoor wij als organisatie veel waardering hebben. Helaas heeft het tot nu toe niet geleid tot een werkende oplossing.’

Achterstallig onderhoud

De problemen rond de brandveiligheid op het Rotterdamse spooremplacement zijn ontstaan door achterstallig onderhoud. Wie daarvoor uiteindelijk verantwoordelijk is, laat ProRail nog extern onderzoeken. ‘Wij nemen verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie en zijn continu in overleg over verbeteringen met zowel de vervoerders, het bevoegd gezag, de aannemers, de rijksoverheid en de regionale en lokale overheden.’

Of er ook op andere rangeerterreinen in Nederland vergelijkbare gevaarlijke situaties kunnen ontstaan, kan de spoorbeheerder nog niet zeggen. ‘Van een calamiteit is in ieder geval geen sprake. Wel van zware hinder voor de goederenvervoerders en andere ketenpartners. We nemen de situatie serieus en kijken ook naar andere emplacementen in Nederland.’

Van Kranenburg vervolgt: ‘Met de lessen van Waalhaven moeten we komen tot een goede oplossing om de blusvoorzieningen op de overige emplacementen blijvend op orde te krijgen en te houden. Daarnaast proberen we met het zogenoemde ‘landelijke emplacementenproject’te komen tot uniforme voorzieningenpakketten voor externe veiligheid op de rangeerterreinen in Nederland. Daardoor kunnen wij onze beheertaken beter uitvoeren en is het ook voor het bevoegd gezag een stuk overzichtelijker. Het landelijk emplacementenproject komt in samenwerking met onder meer het ministerie van Infrastructuur, lokale overheden, veiligheidsregio’s, vervoerders en ons tot stand.’