Deze en andere cijfers tonen volgens de KBIN aan dat het aantal olieverontreinigingen het laatste decennium sterk is gereduceerd is, maar dat verontreinigingen door andere schadelijke stoffen nog steeds een courant probleem zijn, dat zelfs in stijgende lijn lijkt.

Observatievliegtuig

Het observatievliegtuig van het KBIN mat in het Belgische deel van de Noordzee ook verdachte zwavelwaarden in de rookpluimen van tien andere schepen op. Sinds 2020 kan het vliegtuig ook stikstofemissies meten. Het vliegtuig nam eveneens deel aan een internationaal gecoördineerd toezicht op de olie- en gasinstallaties in het centrale deel van de Noordzee. Door de Covid-19 pandemie kon het slechts 158 vlieguren uitvoeren, zowat 75% van wat initieel was voorzien.

In totaal ging het om 92 uren pollutiecontrole, waarvan 56 uren voor toezicht op lozingen van olie en andere schadelijke stoffen en 36 uren voor de monitoring van de zwaveluitstoot door schepen, 27 uren visserijcontrole en 9 uren naar aanleiding van diverse meldingen, waaronder een aanvaring met vervuiling en een aanzienlijke accidentele olievervuiling op de Westerschelde en 8 uren zeezoogdierenmonitoring.

Verder werden 22 uren besteed aan internationale vluchten, met name aan de Tour d’horizon-missie ter controle van boorplatformen in de Noordzee. Dat was een internationale opdracht in het kader van het Bonn Akkoord. Tijdens deze jaarlijkse missie detecteerde het toezichtvliegtuig in totaal 24 polluties. Daarvan konden er 21 rechtstreeks worden gelinkt aan een olieplatform. Bij de overige waarnemingen – 2 olievlekken en een detectie van een andere schadelijke stof – was er geen schip of platform in de buurt. Al de waarnemingen werden systematisch gerapporteerd aan de bevoegde Kuststaat, voor verdere opvolging overeenkomstig de internationale procedures.