De Nederlandse vlag had de wind tot enkele jaren geleden nog flink in de zeilen. In de periode 2006-2014 steeg het aantal schepen waarop de Nederlandse driekleur wapperde van circa negenhonderd vaartuigen naar meer dan 1233 stuks. Sindsdien raakte de Schwung eruit en is elk jaar een heel klein stukje van de onder Nederlandse vlag varende vloot afgeknabbeld.

In 2019 stopte de teller bij 1211 schepen, blijkt uit de Maritieme Monitor 2020 die Nederland Maritiem Land in de herfst publiceerde. Als het om aantallen schepen gaat, is Nederland nu het 22e land van de wereld. De daling vond met name plaats in de categorie handelsschepen. De zeeslepers onder Nederlandse vlag vertoonden juist een stijgende lijn.

Maersk

Je kunt met deze statistieken in de hand niet stellen dat de Nederlandse scheepsvloot als sneeuw voor de zon aan het verdwijnen is, maar met de vijf containerschepen die door Maersk onlangs zijn omgevlagd, vaartuigen die hun werk voor Maersk nu als charters onder Liberiaanse vlag doen, lijkt dat knabbelen aan de Nederlandse vlag wel verder te gaan.

Het strijken van de laatste Nederlandse vlaggen op de Maersk-vloot was volgens de Deense rederij nodig omdat het makkelijker werken is met maar drie verschillende vlaggen. Dat de Denen daarbij behalve voor de Deense en de Singaporese vlag ook kiezen voor de vlag van het Afrikaanse land Liberia, is zeker geen unieke escapade. De Liberiaanse vlag behoorde vorig jaar tot de hardst groeiende vlagstaten, samen met onder meer de Marshall Eilanden, een vulkanische eilandengroep in de Stille Oceaan. Alleen Panama is duidelijk een nóg populairder toevluchtsoord voor reders. Niet dat vrachtschepen in de dagelijkse transportpraktijk veel te zoeken hebben op bounty-eilandjes in de Stille Oceaan, maar de veelal soepelere regelgeving in dit soort vlagstaten ervaren de reders wel als een warm bad. De traditionele maritieme grootmachten Griekenland en Japan eindigden vorig jaar, anders dan Nederland, nog wel net in de top-10 van grootste vlagstaten, maar ook zij zagen hun schepenbestand verder slinken.

Kraamkamer

Het omvlaggen van het vijftal Maersk-schepen betekent niet alleen dat de Denen een stukje Nederlandse scheepvaartgeschiedenis naar het museum dragen (de vaartuigen waren nog een erfenis van de Nederlands-Britse containerrederij P&O Nedlloyd die in 2005 door Maersk werd overgenomen), de vlagverhuizing heeft ook werkgelegenheidsconsequenties.

Maersk heeft weliswaar aangegeven 24 Nederlandse bemanningsleden die op de vijf omgevlagde schepen werkten elders in het bedrijf werk te willen bieden, maar de mensen die het betreft, hebben duidelijk gemaakt geen genoegen te willen nemen met het lagere salaris dat met die herplaatsing gepaard zou gaan. Vakbond Nautilius ziet de plannen die Maersk heeft met de 24 Nederlandse werknemers puur als een poging om de Nederlanders de deur uit te werken.

Het Maersk-verhaal sluit ook wat het werkgelegenheidsaspect aan op een trend die in de statistieken al langer zichtbaar is. Vaak wordt in het openbaar nog steeds het getal 5000 genoemd als het gaat om het totaal aantal Nederlanders dat in functies aan boord van zeeschepen werkt. Maar volgens de Maritieme Monitor 2020 was het aantal Nederlandse zeevarenden in 2019 in de praktijk inmiddels gedaald naar 4398.

Kraamkamer

Annet Koster, directeur van de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders (KVNR) heeft gezegd die achteruitgang te betreuren omdat zeeschepen volgens haar als ‘kraamkamer’ dienen voor de hele maritieme sector in Nederland. Mensen die bijvoorbeeld als loods of sleper in de haven werken, hebben vaak eerst zeebenen gekweekt in de zeevaart.

Consultancybedrijf PricewaterhouseCoopers (PwC) waarschuwt dat ‘de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid in de maritieme sector van Nederland daalt’ als de Nederlandse vlag verder in populariteit blijft afnemen, want ‘bij een doorgaande trend is de verwachting dat op termijn ook beheers- en managementactiviteiten uit Nederland zullen vertrekken’.

PwC presenteerde vorig jaar het rapport ‘Onderzoek naar nieuwe organisatievorm van het scheepsregister’ waarin de consultant in opdracht van de Nederlandse overheid in kaart bracht hoe het tij in de sector zou kunnen worden gekeerd en Nederland de ambitie kan waarmaken om een ‘internationale duurzame maritieme toppositie’ te bekleden.

Containerreuzen

Nederland heeft niet de ambitie om de ’s werelds grootste containerreuzen onder Nederlandse vlag te krijgen en een lange neus te trekken naar de Liberia en de Marshall Eilanden, maar wil zich wel afficheren als een aantrekkelijke thuishaven voor zogenoemde ‘complex specials’: werkschepen van allerlei pluimage en innovatieve, duurzame, specialistische, vaak kleinere schepen in met name de shortsea-sector.

De Nederlandse vlag moet volgens het PwC-rapport ‘onderscheidend zijn op kwaliteit, klantbeleving en innovatie’. En de oplossing die de consultant presenteerde om de ambities te kunnen bewerkstelligen is om alle activiteiten die verband houden met de Nederlandse scheepsvlag en die nu nog onder verschillende verantwoordelijke instellingen verdeeld zijn, zoals Kiwa, ILT en klassebureau’s, onder te brengen in één publieke (overheids-)organisatie. PwC stelde voor er een dienstonderdeel van te maken onder directe aansturing van het Directoraat Generaal Luchtvaart en Maritieme Zaken.

Voorstel

Het nieuwe dienstonderdeel zou bijvoorbeeld ook de taak krijgen om aan acquistie te doen en rederijen actief te benaderen om hun schepen onder Nederlandse vlag te registreren. Minister Cora van Nieuwenhuizen liet de Tweede Kamer onlangs weten dat ze van plan is om het voorstel van PwC voor de vorming van een publieke maritieme autoriteit, volledig over te nemen. De minister zei de eerste helft van 2021 nodig te hebben om hiertoe zorgvuldig het ‘transitietraject in beeld te brengen’. Na de zomer kan volgens haar dan een definitief besluit over de nieuwe maritieme autoriteit worden genomen.

De sector heeft goede hoop dat daarmee koers wordt gezet naar een reveil van de Nederlandse vlag op de wereldzeeën. De KVNR heeft gezegd dat de redersorganisatie het principebesluit van de minister ‘van harte toejuicht’.