De zaak draait om het gebruik van Puerto Carupano, een Cubaanse haven die in de eerste helft van de twintigste eeuw door American Sugar werd geëxploiteerd ten gunste van diens suikerproductie op het eiland.

Ruim vijftig jaar lang beheerde American Sugar grote suikerplantages op Cuba, totdat Fidel Castro en zijn rebellen in 1959 de macht grepen en beslag legden op de succesvolle Amerikaanse onderneming. ‘Binnen een jaar, van 1959 tot 1960, vernielde de Cubaanse regering American Sugar’s activiteiten en werden de activa geconfisqueerd zonder ook maar een cent compensatie,’ stelt de suikerproducent in zijn aanklacht.

Donald Trump

Cuba gebruikt de havens sindsdien voor zijn eigen economische activiteiten, waaronder de aanleg van het Herradura Wind Farm Project, een 101 MW groot windmolenpark dat zal worden aangedreven door 54 turbines van de Chinese fabrikant Goldwind.

In 2018 en 2019 voerden DSV Panalpina en BBC Chartering in opdracht van Goldwind diverse transporten voor dit project uit. Ze leverden windmolenonderdelen af in Puerto Carupano, dat op slechts vijftien kilometer afstand van het windpark ligt.

American Sugar stelt nu dat de bedrijven geld schuldig zijn voor het gebruik van de haven en eist 97.373.414,72 Amerikaanse dollar onder de omstreden Helms Burton Act. Het bedrag is precies gelijk aan de schadeclaim die American Sugar zestig jaar geleden tegen de Cubaanse regering indiende.

Helms-Burton-Act

De Helms-Burton-Act is een verlenging van het handelsembargo dat de VS in 1962 tegen Cuba heeft ingesteld en werd in 1996 door toenmalig president Bill Clinton getekend. Een belangrijk onderdeel ervan is Title III, een wetsartikel dat Amerikanen in staat stelt om niet-Amerikaanse bedrijven voor de rechter te dagen die handelen in of via eigendommen die zonder compensatie door Cuba geconfisqueerd zijn.

Tot mei 2019 was een dergelijke aanklacht nog nooit ingediend omdat de inwerkingtreding van Title III steeds werd uitgesteld, maar vorig jaar besloot president Donald Trump de wet dan toch in te laten gaan. Sindsdien zijn er volgens Amerikaanse media 26 claims ingediend.

Hoewel de aanklacht van American Sugar specifiek draait om leveringen die van eind 2018 tot begin 2019 plaatsvonden toen de wet nog opgeschort was, stelt American Sugar dat Goldwind, DSV en BBC wisten dat handel drijven met Cuba en het gebruiken van geconfisqueerde activa sinds 1996 het risico op hoge schadeclaims met zich meebrengt. Volgens de suikerhandelaar hebben de bedrijven daarom de werkelijke bestemming van hun reis proberen te verdoezelen.

Schepen

De bewuste leveringen werden uitgevoerd met de schepen ‘BBC Moonstone’ en ‘BBC Jade’. Goldwind had DSV ingeschakeld als expediteur voor die transporten en de logistiek dienstverlener op zijn beurt kocht het zeetransport in bij BBC Chartering.

In zijn aanklacht stelt American Sugar dat beide schepen eind 2018 windmolenonderdelen ophaalden in Tianjin in China om vervolgens koers te zetten naar Miami in Florida, waar zij volgens de vrachtbrief begin 2019 de onderdelen zouden afleveren. ‘In Miami werd echter geen lading gelost, maar enkel brandstof gebunkerd. Vervolgens voeren de schepen door naar Puerto Carupano om de turbines te bezorgen,’ stelt de suikerproducent.

Volgens American Sugar hebben de gedaagden ‘willens en wetens valse verklaringen afgelegd in juridische documenten door te stellen dat de eindbestemming van de door de Cubaanse regering bestelde windmolenonderdelen Miami was, in een kennelijke poging om aansprakelijkheid onder de Helms-Burton Act en de Amerikaanse sancties tegen Cuba te ontlopen.’

Verkeerde informatie

DSV ontkent verkeerde informatie te hebben opgegeven. ‘Samen met onze klanten hebben wij ons ingespannen om aan de Amerikaanse regels te voldoen en we verwerpen de aanklacht dat DSV heeft geprobeerd om de Amerikaanse wet te omlopen,’ stelt het bedrijf in een verklaring.

Volgens de logistieke dienstverlener staat Puerto Carupano in de ladingdocumenten duidelijk vermeld als de eindbestemming. ‘DSV is op de hoogte van de bestaande sancties tegen Cuba en we handhaven een strikt beleid om aan de regels te voldoen,’ aldus de expediteur. BBC Chartering wil niet inhoudelijk op de zaak ingaan.

De Cubaanse revolutie

In de eerste helft van de twintigste eeuw had de VS een grote aanwezigheid op Cuba. De Amerikanen hadden het eiland in 1898 bevrijd van de Spaanse bezetters. Formeel werd het land in 1902 onafhankelijk, maar de VS hield nog decennia een stevige vinger in de pap en de industrie en landbouw kwamen grotendeels in Amerikaanse handen.

In 1934 greep Fulgencio Batista de macht. In eerste instantie bleef hij op de achtergrond en zette hij stromannen in als president, maar met de belofte van een linksere koers en grondwetswijzigingen trad hij in 1940 zelf aan als president. De beloofde veranderingen kwamen er echter niet en vier jaar later verloor Batista zijn rol weer. Nog steeds impopulair greep hij in 1952 met goedkeuring van de VS opnieuw de macht en ontpopte hij zich tot dictator. Rechten werden onttrokken, de president verrijkte zichzelf en Havana groeide uit tot een gokstad waar de Amerikaanse maffia de dienst uitmaakte.

Na de tweede coup van Batista ontstond een rebellengroep onder leiding van Fidel Castro en zijn broer. Een eerste aanval van de rebellen in 1953 mislukte en leidde tot de gevangenneming van Castro. In 1955 liet Batista de rebellenleider vrij als teken van verzoening na het winnen van frauduleuze verkiezingen. Dat besluit kwam hem duur te staan. In de jaren die volgden hergroepeerde Castro de rebellen om in 1959 de macht te grijpen. Onder zijn regime werden veel bedrijven geconfisqueerd en genationaliseerd. Castro had zowel voor- als tegenstanders en was een omstreden bevelhebber. Hij bleef tot 2006 president van Cuba en overleed in 2016. De relatie met de VS bleef altijd slecht.