Uit het onlangs verschenen jaarverslag van de dienst blijkt dat het onderzoek naar de controle van zwavel-emissies door zeeschepen ‘in een andere vorm’ is stilgelegd. Dat werd samen met een vliegtuigbouwer uitgevoerd, maar het bedrijf in kwestie heeft aangegeven ‘tegen hindernissen op te lopen’. Voor die controles worden nu onder meer een vliegtuig van de Kustwacht en een ‘snuffelpaal’ bij de ingang van de Rotterdamse haven gebruikt. Welke hindernissen de levering van de drone in de weg staan, is niet duidelijk.

Een woordvoerder van de dienst meldde vorig jaar dat de ILT van plan was om de futuristische Skeldar V-200 van het Zwitserse bedrijf UMS Skeldar aan te schaffen. Dat is een ongeveer vier meter lange vtol (vertical take-off and landing) drone, die zo’n zes uur in de lucht kan blijven en een bereik van zo’n honderd kilometer heeft. Een aantal marines, waaronder de Duitse, heeft het toestel al in gebruik.

In afwachting van een eigen snuffeldrone heeft de European Maritime Safety Agency (Emsa) in Lissabon een minder geavanceerd exemplaar ter beschikking gesteld aan de ILT. De dienst is echter nog op zoek naar een partij om die drone dicht bij de kust te kunnen stationeren om van daaruit veilig te kunnen opstijgen en landen.

Uit het jaarverslag blijkt verder dat de Rotterdamse snuffelpaal en het vliegtuig verschillende meetwaarden opleveren. Het zwavelgehalte in de uitlaatgassen van schepen die Rotterdam binnenvaren, blijkt beduidend lager te zijn dan die van schepen die op zee op afstand worden gecontroleerd. De dienst weet nog niet hoe dat komt en stelt daar een onderzoek naar in.

Aanpakken

Vorig jaar heeft de ILT zo’n 800 schepen gecontroleerd, wat in lijn is met de Europese norm. De dienst zegt in het jaarverslag overtreders op te sporen en aan te pakken, maar noemt geen cijfers. Volgens de dienst dwingen de controles op afstand een betere naleving van de regels af, omdat reders zich realiseren dat hun schepen al op de Noordzee en bij binnenkomst in havens in de gaten worden gehouden.

Schepen op de Noordzee mogen alleen brandstof verstoken met maximaal 0,1% zwavel, ofwel ultra low sulphur fuel oil. Bovendien mogen ze geen brandstof met meer dan een half procent zwavel (vlsfo) aan boord hebben, omdat het gebruik daarvan sinds begin dit jaar wereldwijd verboden is.

Doel van de controles is om de uitstoot van zwavel(verbindingen) door schepen verder terug te dringen. Concrete doelstelling is ‘maximale naleving’ van de SO2 norm in de Nederlandse wateren vanaf uiterlijk 2020. Op grond van Europese afspraken moet de ILT jaarlijks minimaal 10% van het aantal ‘unieke zeeschepen’ dat Nederlandse havens aandoet controleren. Daarvan moet weer minimaal 40% fysiek worden gecontroleerd aan de hand van brandstofmonsters. Volgens de dienst blijkt het in de praktijk overigens lastig om bunkertanks te bemonsteren, maar is er een manier gevonden ‘om dat toch voor elkaar kunnen boksen.’

De dienst controleert de scheepvaart niet alleen op zwavelemissies, maar ook op een waslijst van andere aspecten waaronder afgifte van afval en de kwaliteit van bunkerolie. Punt van zorg is dat de dienst weinig zicht heeft op de bijdrage van de scheepvaart aan de inmiddels beruchte plastic soep. ‘Hoeveel afval wordt op zee verband, hoeveel gaat overboord? De ILT kan er slechts naar gissen, maar wil ‘het probleem beter analyseren met het oog op scherper toezicht en betere naleving’.

Zeezwaaien

Lozingen door de scheepvaart van deels giftige vloeibare afvalresten vormen nog zo’n probleem, waar de controleurs nauwelijks zicht op hebben. ‘Ook hierover is nog weinig bekend. De risicovolle aard van de stoffen maakt dat ingrijpen gewenst is’, staat in het jaarverslag te lezen. Het stiekem overboord gooien van afval, volgens de ILT ook wel ‘zeezwaaien’ genoemd, kan leiden tot vervuiling van stranden, natuur getijdengebieden, havens en riviermondingen. Kamerleden hebben de afgelopen jaren overigens al herhaaldelijk vragen gesteld over vervuiling door paraffine-achtige stoffen.

Ook het ‘wegmengen’ van afvalstoffen in bunkerolie blijft een verschijnsel waar de inspectiedienst maar moeilijk vat op lijkt te krijgen. Een analyse van de samenstelling van bunkerolie van vijftig zeeschepen die het RIVM twee jaar geleden op verzoek van de ILT uitvoerde, toonde aan dat de scheepsbrandstof stoffen bevatte die daar niet in thuis horen. Een aantal daarvan staan op de lijst van zeer zorgwekkende stoffen (zzs). Die telt enkele honderden (zeer) giftige stoffen, zoals dioxinen, waarvan een deel kankerverwekkend is. Bovendien zitten er volgens de dienst vaak chemische stoffen in die niet afkomstig zijn uit aardolie-raffinage.

Het Openbaar Ministerie heeft een aantal jaren jacht gemaakt op ‘gifmengers’ in de bunkersector, maar is er voor zover bekend niet in geslaagd een zaak voor de rechter te brengen. De ILT zegt in het jaarverslag dat het ‘in de praktijk moeilijk is om te bewijzen dat de geleverde scheepsbrandstof niet aan de samenstellingseisen voldoet’. De dienst zegt hiervoor ‘een aantal inspecties’ uit te voeren, maar noemt geen aantallen of resultaten. Wel wijst ze erop dat de eigenaar van een zeeschip of diens vertegenwoordiger een ‘Letter of Protest’ kan indienen bij het land waar ‘foute’ bunkerolie is geleverd.