De hoogste bestuursrechter gaat daarmee in tegen twee eerdere uitspraken in het voordeel van de rederij, waarvan eentje werd gedaan in een kort geding bij de Raad van State zelf. Arklow vroeg ruim twee jaar geleden vrijstelling voor ruim dertig schepen tot 115 meter, die zowel op zee als op rivieren worden ingezet.

De Havenmeester wees dat verzoek tot twee keer toe af omdat de vaart zonder loods de veiligheid in gevaar zou brengen. Vrijstelling zou de rederij een jaarlijkse besparing aan loodsgelden van naar schatting een half miljoen euro per jaar hebben opgeleverd. De rederij liet het er niet bij zitten en spande een procedure aan.

Binnen/buiten-schepen

Havenmeester René de Vries laat via zijn woordvoerder weten blij te zijn met de besluit van de Raad, waartegen geen beroep mogelijk is: ‘Dit is in lijn met wat we steeds hebben betoogd, namelijk dat de veiligheid in de haven niet is gediend met vrijstelling’.

Als Arklow in het gelijk was gesteld, zouden ook andere rederijen met deze zogenoemde ‘binnen/buiten-schepen’ vrijstelling kunnen vragen. Daardoor zouden jaarlijks zo’n 16.000 scheepsreizen waarvoor nu nog een loods verplicht is, de haven zonder loods in en uit kunnen varen.

Lage opbouw

De Raad van State stelde de rederij vorig jaar in een kort geding nog in het gelijk. De rechter oordeelde toen dat de Havenmeester niet voldoende duidelijk had gemaakt waarom het verlenen van vrijstellingen aan Arklow de veiligheid op het water bedreigt.

De bewuste schepen worden ook wel lage kruiplijn-coasters genoemd, omdat ze dankzij een lage opbouw net als binnenschepen onder niet-beweegbare bruggen door kunnen varen. Arklow voerde aan dat de coasters als binnenschepen gezien moeten worden zodra ze binnenwateren opvaren en dus, net als de binnenvaart geen loods hoeven te nemen. De Raad oordeelt nu echter dat de schepen niet aan de technische eisen voldoen.

Vernietigd

De Raad van State heeft de oorspronkelijke uitspraak van de Rotterdamse rechtbank ‘vernietigd’. Die had het beleid van de Havenmeester onverbindend verklaard, omdat het in strijd zou zijn met de Scheepvaartverkeerswet en de regels voor de loodsplicht. Volgens de rechtbank ging de Havenmeester te ver, door extra eisen aan de constructie van schepen te stellen. De bestuursrechter heeft dat nu dus van tafel geveegd.