Dat meldt persbureau Reuters op basis van gesprekken met onder meer oliehandelaren. Die toename is vooral een gevolg van de gekelderde vraag vraag naar ruwe olie en brandstoffen als benzine en kerosine door de coronacrisis. Het grootste deel zou zijn opgeslagen in ongeveer zestig very large crude carriers (vlcc’s), de standaardmaat olietanker met een capaciteit van twee miljoen vaten.

De laatste keer dat de drijvende opslag een vergelijkbaar niveau bereikte, was in 2009, toen handelaren meer dan honderd miljoen vaten geruime tijd op zee lieten drijven voordat de schepen gelost werden door olieterminals aan land. Een groot deel van de olie zit in in tankers die in de Golf van Mexico en in de buurt van Singapore voor anker liggen.

Opslagkosten vermijden

Door de aardolie in de tankers te laten, vermijden handelaren opslagkosten aan de wal en houden ze flexibiliteit ten aanzien van de uiteindelijke loshaven. Daar komt bij dat de markt zich in contango bevindt: de situatie waarin termijnprijzen hoger zijn dan die voor directe levering. Handelaren die de olie vasthouden, hebben zo de kans later forse winsten te boeken.

Daar staat wel tegenover dat de chartertarieven van vlcc’s omhoog zijn geschoten tot zo’n 350.000 dollar per dag, ruwweg het tienvoudige van het normale tarief. Een aantal bronnen waarmee Reuters sprak, verwacht niettemin dat het aantal vlcc’s dat als tijdelijke opslag dient, de komende periode tot tweehonderd kan oplopen.

Akkoord

Deskundigen verwachten dat de komende maanden nog tussen de 500 miljoen en een miljard vaten opgeslagen moeten worden. Dit omdat de vraag naar ruwe olie veel lager is dan het aanbod, ondanks het akkoord tussen de Opec en Rusland om de productie met tien miljoen vaten per dag te beperken.