Dat blijkt uit antwoorden van de minister op Kamervragen van Aukje de Vries en Remco Dijkstra (beiden VVD). Het totale bedrag aan schadeclaims dat nog openstaat, bedraagt 1,93 miljoen euro. ‘Dit bestaat uit anderhalf miljoen euro van de vier rijkspartijen en 430.000 euro van overige partijen (waaronder de Waddeneilandengemeenten, red.)’, schrijft de minister aan de Tweede Kamer.

Naast de zojuist genoemde schadeclaims heeft de minister MSC ook aansprakelijk gesteld voor de kosten van mogelijke toekomstige berging van lading op zee en land en de ecologische gevolgen van de containerramp op de lange termijn. ‘Het kost tijd om op al deze onderdelen met MSC tot overeenstemming te komen’, aldus Van Nieuwenhuizen.

3250 ton afval

In de Noordzee boven de Wadden ligt nog altijd een hoop afval als gevolg van de 342 containers die de ‘MSC Zoe’ in de nacht van 1 op 2 januari verloor. Een groot deel daarvan spoelde aan op de Waddeneilanden, de rest belandde op de zeebodem. In totaal gaat het volgens Rijkswaterstaat om 3250 ton afval. Daarvan is ongeveer 2450 ton geborgen.

Afgelopen september heeft MSC aangeboden om op korte termijn een deel van de resterende claims te betalen. ‘De rederij stelde een finale vrijwaring voor nieuwe claims als voorwaarde voor een versnelde betaling’, staat in de brief aan de Kamer.

Bij een akkoord zou dat dus betekenen dat de rederij niet meer verantwoordelijk kan worden gehouden voor schade die wordt veroorzaakt door lading die mogelijk nog later aanspoelt. De Waddeneilandengemeenten hebben het aanbod van MSC afgewezen.

Gerechtelijke stappen

De onderhandelingen worden dus voortgezet. Hoe lang die nog duren, kan de minister niet zeggen. ‘Ik denk dat hier nog enige tijd voor nodig is en wil mij niet vastleggen op een einddatum’, schrijft de bewindvoerder. Van Nieuwenhuizen is vooralsnog niet van plan om gerechtelijke stappen te ondernemen om een snellere afhandeling van de schadeclaims af te dwingen.

‘Mijn geduld om tot een minnelijke schikking te komen is niet oneindig, maar op dit moment heb ik geen indicatie dat we er met de reder en verzekeraar niet zullen uitkomen. De inzet van juridische instrumenten acht ik daarom op dit moment nog niet lonend.’