Het schip is de eerste van twee zusterschepen die de werf voor 209 miljoen dollar per stuk bouwt voor de Amerikaanse rederij Matson. Matson is een zogenoemde Jones Act-carrier. Die wet eist dat vervoer tussen twee of meer Amerikaanse havens wordt uitgevoerd met schepen die in de VS gebouwd zijn, bemand worden door Amerikaanse zeelieden en eigendom zijn van een Amerikaanse partij.

Protectionistisch

Die protectionistische wet houdt een aantal Amerikaanse werven op de been, maar zorgt er ook voor dat Amerikaanse schepen buitensporig duur zijn in vergelijking met die van buitenlandse werven en dat Amerikaanse werven geen enkele rol op de wereldmarkt spelen. Dat verklaart waarom het grootste in de VS gebouwde schip 3.600 teu meet, terwijl in het Verre Oosten aan de lopende band schepen van 20.000 teu van de werf lopen.

Matson biedt diensten langs de Amerikaanse westkust en op allerlei bestemmingen in de Pacific, zoals Hawaii, Guam, Okinawa en Rarotonga. De nieuwe schepen zijn bestemd voor de Hawaii-dienst en worden onder meer uitgerust met dual-fuelmotoren en dubbelwandige brandstoftanks. Matson-topman Matt Cox sprak bij de doop van ‘een trotse dag voor ons allemaal’ en werfbaas Steinar Nerbovik werd tijdens het evenement doortrokken door ‘een enorme dankbaarheid’ en prees zijn werknemers ‘die het eigen land met Amerikaanse schepen veilig houden’.

Bron foto: Matson