In reactie op een adviesaanvraag voor de geplande bedrijfsbeëindiging stelt de ondernemingsraad dat de opzet van RPS, – ‘waardoor de aandeelhouder van RPS ook aandeelhouder is van concurrenten Matrans, Unilash en Transcore’ – de onderneming op achterstand heeft gezet. De ondernemingen maken allen deel uit van de groep van Hans Vervat.

Volgens de ondernemingsraad is ‘andere vennootschappen uit dezelfde groep een gunstigere concurrentiepositie gegeven door de groep.’ Zo is het dienstenpakket dat door Matrans, Unilash en Transcore wordt aangeboden breder dan dat van RPS en heeft het bedrijf last van verhoogde financiële druk door een inhuurconstructie van staffuncties en hoge ziektekosten.

Staffuncties van RPS zoals human resources, planning en loonadministratie zijn ondergebracht bij Matrans. ‘Aan de planning van Matrans wordt bijvoorbeeld voor geleverde diensten aan ECT 6% administratiekosten per geleverde dienst betaald’, schrijft de ondernemingsraad van RPS. ‘Door deze inhuurconstructie is er sinds 2009 een onevenredige zware belasting gelegd op het bedrijfsresultaat van RPS.’

Dat RPS kampt met hoge ziektekosten komt volgens de ondernemingsraad doordat de directie er voor gekozen heeft om de risico’s voor ziekteverzuim en WIA-uitkering (een uitkering voor arbeidsongeschikten na ziekte) niet af te dekken middels een verzekering.

Ook zou er, door regelmatig personeel beschikbaar te houden voor inhuur bij ECT, onvoldoende zijn ingespeeld op de behoeften van andere bedrijven die inhuurkrachten zochten. ‘Door die handelswijze is onnodig leegloop ontstaan en konden andere klanten niet worden bediend. Daardoor is in de markt het beeld ontstaan dat RPS een lagere leveringsbetrouwbaarheid heeft’, stelt de ondernemingsraad.

Volgens de ondernemingsraad is de marktsituatie voldoende om RPS in samenwerking met andere bedrijven in stand te houden en kan het nadeel in de concurrentiepositie van RPS worden opgelost door onder andere ‘een eerlijke verdeling van het beschikbare werk over de verschillende bedrijven van de aandeelhouder, samenwerking tussen de reguliere inhuurpartijen in de haven en marktconforme tarieven.’ De OR ziet het voorgenomen besluit tot bedrijfsbeëindiging daarom ‘niet als een logische oplossing’.

Nieuw arbeidsorganisatie
De directie van RPS heeft in januari aangekondigd het bedrijf te willen opheffen omdat het niet rendabel is. De bedrijfsbeëindiging zou in eerste instantie per 1 mei van kracht zijn, maar eind april werd dit uitgesteld tot 1 augustus ‘omdat de inhuurcijfers beter zijn dan onze prognoses van begin januari, en daardoor ook de liquiditeitspositie van RPS minder snel verslechtert’, zo schrijft de directie van RPS in een brief aan zijn werknemers.

Om een oplossing voor de 120 werknemers van het bedrijf te vinden is op verzoek van FNV Havens de projectgroep RPS opgericht, waarin naast FNV Havens en de directie van RPS ook het Havenbedrijf Rotterdam betrokken is. Uitkomst van deze projectgroep is dat er een fonds van in totaal 5,5 miljoen euro (4,5 miljoen euro door het Havenbedrijf Rotterdam en 1 miljoen euro door de aandeelhouder) wordt opgezet voor de werknemers die na de bedrijfsbeëindiging uitstromen. De overige arbeidskrachten zullen, op een klein aantal na die in dienst treden bij andere bedrijven, gaan werken in ‘een nieuw op te richten arbeidsorganisatie’. Hoe die nieuwe arbeidsorganisatie er uit gaat zien is nog niet bekend, maar mogelijk betreft het een samenwerking tussen Matrans en International Lashing Service (ILS). Volgens de ondernemingsraad zijn de bedrijven van plan om aandelen uit te wisselen.

De ondernemingsraad toon zich overigens niet enthousiast over de uitkomst van de projectgroep RPS. Het uitgangspunt dat er perspectief moet zijn voor alle RPS-werknemers komt volgens de raad niet volledig tot uiting in het akkoord.

Op verzoeken om reactie is door zowel de directie van RPS als aandeelhouder Hans Vervat niet gereageerd.