Pfeijffer beschrijft, in barokke stijl, de glorie en het verval van ons continent. Hij doet dat, zogenaamd, in een hotel in Venetië, de eeuwig met wegzinken in de golven bedreigde stad waar menig liefdespaar zich weleens in een gondel liet verplaatsen, op een terras een exquise maaltijd nuttigde opgediend door kelners in rubberlaarzen en zich in de bombast van een naar het oude en voorbije geurende kamer begaf om in het hemelbed… wel, afijn.

Zou het boek over Europa gesloten zijn? Daar kun je over discussiëren. Chinese bedrijven nemen onze havensteden over en laten Huawei op ons los, plus hackers die onze geheimen proberen te stelen. Onze plaats op internet wordt bepaald door Google, Amazon, Twitter, Instagram. Daar kunnen wij Europeanen nog een beetje tegenop, dank zij Bach, Beethoven, Mozart, de Beatles en, vooruit maar, Goethe en Thomas Mann. Bij de laatste moet je al denken aan de roman Tod in Venedig. De film Don’t look now misschien, met Julie Christie en Donald Sutherland, maar die dateert ook alweer uit 1973 en zal de meeste ‘millennials’ in andere werelddelen, prutsend op hun smartphones, niets zeggen.

Het is voor een Eurofiel vaak lastig om Eurofoben uit te leggen waarom ons Grand Hotel nog maar even in stand moet worden gehouden. Dan begin je bijvoorbeeld over de langdurige vrede die de Europese Gemeenschap en haar dochter, de Unie, mogelijk heeft gemaakt. Het verweer tegen de Sovjet-Unie, de Val van de Muur, de vrijheid van personen, verkeer, goederen en al die verworvenheden, die veel mensen meer geluk en welvaart brachten. Zeker, de ‘bureaucraten’ in Brussel – dixit Nigel Farage, ‘one of them’ – hebben de zaak optisch geen goed gedaan. De Unie is een bemoeial, die regels voorschrijft over de juiste kromming van bananen.

Ach, kom toch. Ik ben maar blij dat ik nog een dikke vierhonderd bladzijden van Grand Hotel Europa mag omslaan. En misschien verzint iemand eindelijk eens iets tegen de verzakking van Venetië.