Een heel assortiment aan smeuïge onderwerpen voor iedere columnist. Dus goede reden voor mij om mijn pijlen op een heel ander assortiment te richten: boutjes, schroefjes en moertjes van roestvrij staal.

Onlangs verscheen een uitdagende uitspraak van de Hoge Raad. Het gaat om een importeur die de roestvrijstalen bevestigingsmiddelen kocht van een Indonesische leverancier op basis van de leveringsconditie Delivered Duty Paid (DDP). DDP houdt in dat de leverancier een aanzienlijk deel van de kosten voor zijn rekening neemt, waaronder de verschuldigde rechten bij invoer.

De leverancier verklaarde dat de goederen Indonesische oorsprong hebben en leverde de benodigde certificaten van oorsprong Form. A. Daardoor waren (vrijwel) geen rechten bij invoer verschuldigd. Bij controle achteraf bleken de goederen echter Chinese oorsprong te hebben en waren derhalve douanerechten en antidumpingrechten verschuldigd. De importeur ontving daarvoor een (gepeperde) uitnodiging tot betaling.

Vindingrijk

De importeur was het daar niet mee eens en had een vindingrijk argument, namelijk dat de douanewaarde van de ingevoerde goederen mocht worden verlaagd met bepaalde kosten, waaronder de betaalde rechten bij invoer. Als voorwaarde geldt dat deze kosten in de werkelijk door de importeur betaalde of te betalen prijs zitten.

De douane was van mening dat deze kosten daar niet in zaten omdat: 1. De leverancier bewust een verkeerde oorsprong zou hebben verklaard en dus bewust de rechten bij invoer niet in de prijs zou hebben meegenomen, en 2. Het van de DDP-prijs aftrekken van de verschuldigde rechten bij invoer zou leiden tot een irreëel lage verkoopprijs en geen representatieve douanewaarde.

De Hoge Raad was daar kort over: de goederen zijn DDP geleverd, dus omvat de verkoopprijs ook de verschuldigde rechten bij invoer en dus mogen die in mindering worden gebracht om tot een douanewaarde te komen. Daarmee gaat de rekening aanzienlijk omlaag.

Incoterms

Is dit een gunstige uitspraak voor importeurs om met behulp van Incoterms de douanewaarde te kunnen verlagen? Het antwoord is nee. Want de Hoge Raad geeft in de uitspraak aan dat de douane een irreële douanewaarde uiteraard ter discussie kan stellen, maar dat daarvoor een ander middel geldt: artikel 181bis UCDW.

Met dat middel kan de douane twijfels over de juistheid van de douanewaarde kenbaar maken. Maar dan moet de douane dat wel doen. In dit geval had de douane wel gesteld dat zo’n lage douanewaarde niet reëel kon zijn, maar vergat zich te beroepen op dat onderzoeksartikel.

Dat laatste is een belangrijke kanttekening, want de Hoge Raad heeft eerder al beslist dat de douane een zeer ruime bevoegdheid heeft om de aangegeven douanewaarde te onderzoeken. Maar nogmaals, dan moet de douane daar wel gebruik van maken.

Afdronk

Dus wat is de afdronk van deze zaak? Importeurs moeten extra aandacht hebben voor een juist en consistent gebruik van Incoterms en de vastlegging daarvan via contracten. Dat kan resulteren in een voordelige douanewaarde wanneer sprake is van een naheffing en, zoals in deze zaak, DDP is geleverd. Zelfs wanneer dat leidt tot een irreëel lage douanewaarde.

Maar reken jezelf niet rijk, want de Hoge Raad benadrukt dat de douane ruime bevoegdheden heeft om irreële douanewaarden te onderzoeken. Maar dan moeten ze zich wel houden aan de spelregels. Een waardevolle uitspraak voor zowel importeurs als douane. Doe er je voordeel mee.