In het artikel ‘Smerige praktijken in de scheepvaart’ in de Telegraaf van 19 mei, zette de krant uiteen hoe met name chemicaliëntankers net buiten de 12-mijl zone giftige afvalstoffen lozen in zee, terwijl er ‘even verderop peuters zich gillend en spartelend vermaken in de schuimende branding’.

Het artikel ging over het wassen van de tanken op zee, wat inderdaad dagelijkse praktijk is in de scheepvaart, en leidde tot Kamervragen en een aangenomen motie van kamerlid Cem Lacin (SP), waarin de regering wordt gevraagd om binnen de IMO te pleiten voor het minimaliseren van potentieel zorgwekkende stoffen.

De Kamer wilde van minister Van Nieuwenhuizen weten wat zij doet om de lozing van dergelijke stoffen aan te pakken. Werkelijkheid is dat Nederland daar op nationaal niveau niet veel aan kan doen, wat ook blijkt uit de reactie van Van Nieuwenhuizen. De lozing van stoffen is wereldwijd geregeld via de IMO en het type lozingen waar het om gaat, wordt toegestaan in MARPOL, het internationale verdrag dat vervuiling op zee aanpakt.

‘MARPOL biedt lidstaten geen algemene bevoegdheid om strengere voorwaarden in te voeren buiten de 12 zeemijl’, schrijft Van Nieuwenhuizen. ‘Theoretisch biedt het Zeerechtverdrag wel een mogelijkheid om strengere milieunormen op te leggen in de Europese Economische Zone(…), maar ik verwacht niet dat de IMO-lidstaten ermee instemmen om buiten het MARPOL verdrag nog aanvullende nationale eisen te stellen, omdat dit een beperking zou zijn van het ‘recht op vrije doorvaart’.’ De minster voegt daaraan toe dat ook voor Nederland het recht op vrije doorvaart een belangrijk internationaal uitgangspunt is en Nederland dus ook ‘zeer terughoudend’ is met het accepteren van aanvullende nationale eisen.

Wel zegt de minister dat ‘Nederland zich binnen de IMO zal blijven inzetten om lozingen terug te dringen van stoffen die nu nog wel mogen worden geloosd, maar waarvoor op basis van de eigenschappen van die stoffen blijkt dat verder terugdringen van de lozingen daarvan wenselijk is.’