GE Renewable Energy besloot begin vorig jaar, na jaren onderzoek, om vierhonderd miljoen dollar vrij te maken voor de ontwikkeling van een windmolen met een vermogen van 12 megawatt, de Haliade-X. Dat is ruwweg een derde meer dan de grootste modellen die de gevestigde orde op dat moment op de markt bracht, het Japans-Deense MHI Vestas en het Duits-Spaanse Siemens Gamesa. De Haliade-X wordt met een tiphoogte van 260 meter veruit de grootste windmolen die ooit gebouwd is.

De eerste werkte op dat moment nog aan een upgrade van zijn V164 (het getal geeft de diameter van het rotorveld aan), die al jaren op de markt is, tot  9,5 megawatt. Siemens Gamesa had op dat moment zijn SG167 van 8 megawatt als grootste model in de aanbieding. Begin dit jaar kondigde het bedrijf echter aan dat in 2022 de SG193 van 10 megawatt op de markt komt. Ter vergelijking, de Haliade-X bestrijkt een rotorveld met een diameter van 220 meter, wat overeenkomt met een oppervlakte van 38.000 vierkante meter, ruwweg zes voetbalvelden.

In 2022 moet ook de levering en installatie van de Haliade-X beginnen. GE heeft de twee eerste bestellingen voor de enorme windmolens inmiddels binnen. Dat wil zeggen, de in Parijs gevestigde dochter van het Amerikaanse energieconcern is al twee keer geselecteerd als ‘preferred supplier’, in afwachting van definitieve bevestiging. De eerste was het Deense Ørsted, dat de gevaartes wil voor een klein (Skipjack, 110 megawatt) en een groot windpark (Ocean Wind, 1100 megawatt) voor de Amerikaanse oostkust.

Samenwerking

Begin deze maand ging Dogger Bank Wind Farms daar overheen met de bekendmaking dat het de Haliade-X heeft geselecteerd voor wat gepresenteerd wordt als ‘s werelds grootste windpark met een capaciteit van 3,6 gigawatt, maar in feite bestaat uit drie afzonderlijke windparken van 1200 megawatt. Die worden aangelegd op het Britse deel van de relatief ondiepe Doggersbank, centraal in de Noordzee op meer dan 130 kilometer voor de kust van Yorkshire. De aanleg moet in 2022 beginnen en al een jaar later moet de eerste stroom geleverd kunnen worden.

Topman Offshore Wind John Lavelle van GE nam de aankondiging van het megaproject te baat om te wijzen op het kostendrukkende effect van de schaalvergroting. ‘Onze technologie zorgt ervoor dat onze klanten concurrerend offshore windenergie tegen genivelleerde energiekosten kunnen leveren’, klinkt het in CEO-taal. Projectdirecteur Bjørn Ivar Bergemo van Dogger Bank Wind Farms ging een stap verder en zei dat de samenwerking in de keten een belangrijke rol heeft gespeeld bij het binnenhalen van de concessie voor de bouw en exploitatie van de nieuwe windparken.

Dogger Bank Wind Farms, een 50/50 joint venture van het Noorse Equinor en het Ierse SSE Renewables, wist de zogenoemde Contract for difference-veiling (zie kader) te winnen met een biedprijs van rond de 40 pond per geleverde megawatt-uur (MWh). Twee jaar geleden lag die prijs nog rond de 60 pond per MWh en begin 2015 op ongeveer 120 pond. Het feit dat de windturbines steeds groter worden, en er per park dus minder exemplaren geplaatst hoeven te worden, speelt een belangrijke rol in die prijsdaling.

Gamechanger

Het zal geen toeval geweest zijn dat Jan de Nul al een paar weken na de aankondiging van het Dogger-consortium kon melden dat diens installatieschip ‘Voltaire’ is geselecteerd om de Haliades naar hun bestemming te vervoeren en op zee te installeren. Die komt in 2022 in de vaart. Het ligt voor de hand dat de Belgische aannemer al in een zeer vroeg stadium bij de bouwplannen is betrokken en dat de beslissing om een grensverleggend schip te laten bouwen een sleutelrol in het project speelt. Niet voor niets zegt het bedrijf in zijn eigen persbericht dat de drie windturbineparken tegen ‘ongezien lage prijzen’ zijn toegewezen.

Jan de Nul maakte de bestelling van zijn ‘gamechanger’ bij de Chinese scheepsbouwer Cosco een half jaar geleden bekend. Zowel het hijsvermogen van 3000 ton als de dekruimte van 7000 vierkante meter zijn ongeveer twee keer zo groot als die van De Nuls eigen ‘Vole au Vent’ en Van Oords ‘Aeolus’, het grootste offshore installatieschip van de Nederlandse aannemer. Het nieuwe schip kan zich straks maximaal 80 meter hoog opvijzelen en als de kraan maximaal is opgeklapt, bereikt het puntje een hoogte van 325 meter, precies een meter meer dan de Eiffeltoren.

Belangrijker is echter de zogenoemde hubhoogte, de hoogte boven de zeespiegel van de naar schatting 600 ton zware gondel, het hart van de windmolen met daarin de eigenlijke turbine. De Voltaire gaat tot 165 meter, even hoog als de Maastoren, het hoogste gebouw van Rotterdam. Het prototype van de Haliade, dat GE op de Maasvlakte heeft laten bouwen, heeft een hubhoogte van 135 meter. Maar die staat op land en op zee wordt waarschijnlijk een grotere hoogte aangehouden.

Schaalvergroting

Deme, die andere Belgische aannemingsreus, heeft wel een vergelijkbare krachtpatser in de aanbieding. Diens ‘Orion’ heeft een kraan die zelfs 5000 ton tot op 170 meter hoogte kan tillen en een vrij dekoppervlak van 8000 vierkante meter. Bijzonder aan dit schip is dat het niet is voorzien van de bekende jack-up poten, waarlangs dit type schepen zichzelf kan opvijzelen. In plaats daarvan is het schip uitgerust met de nieuwste variant van dynamic positioning, een uiterst geavanceerd systeem dat het schip onder zware omstandigheden nauwkeurig op zijn plek kan houden.

Deme heeft tot nu toe een opdracht bekend gemeld voor de ‘Orion’. Het schip gaat daarbij om het transport en de installatie van 165 funderingen en windturbines (van 8,5 megawatt) voor het Britse Hornsea Two-windpark (1400 megawatt) van het Deense Ørsted. Dat project moet begin 2022 worden opgeleverd. Anders dan De Nul maakt Deme wel een projectprijs bekend, namelijk ongeveer 200 miljoen euro. Een eenvoudig rekensommetje leert dat de transport- en installatieprijs per windturbine dan op ongeveer 1,2 miljoen euro uitkomt.

Het Dogger-consortium zal wellicht iets meer betalen voor transport en installatie van zijn Haliades. Maar niet heel veel meer, want het hele idee van de schaalvergroting is nu juist dat de kosten per megawatt omlaag gaan.

Daarmee ligt de waarde van het contract voor de honderd 12 MW-molens vermoedelijk tussen de 120 en 150 miljoen euro. Overigens ontdekte het vakblad Windpower Monthly dat GE een milieuvergunning voor de windturbine op de Maasvlakte heeft met een vermogen tot 14 Megawatt. Het zou dus zomaar kunnen dat GE de schaalvergroting in alle stilte nog een tandje opvoert. Een vingerwijzing is wellicht dat waar de groep het project onder de naam Haliade-X 12 MW aankondigde de laatste maanden alleen nog spreekt van de Haliade-X.

Contract for difference

Het Verenigd Koninkrijk (VK) hanteert een fundamenteel ander systeem voor de bepaling van de staatsbijdrage aan offshore windparken. Waar aanbieders in Nederland moeten aangeven met hoeveel subsidie ze bereid zijn een park aan te leggen en te exploiteren, moeten gegadigden in het VK bieden op basis van een ‘Contract for Difference’ (CfD).

Dat klinkt ingewikkeld, maar eigenlijk is het heel simpel. De aanbieder noemt geen subsidiebedrag, maar de prijs die hij wil hebben per geleverde Megawatt-uur stroom, de uitoefenprijs. De bieder met de laagste prijs wint in principe, al wordt natuurlijk ook rekening gehouden met factoren als track record en solvabiliteit.

Als de marktprijs voor stroom op het moment dat er daadwerkelijk geleverd wordt, lager ligt dan de uitoefenprijs, legt de overheid het verschil bij. Is die marktprijs hoger, dan gaat de geldstroom in omgekeerde richting. Het voordeel is duidelijk: een ontwikkelaar heeft vooraf een behoorlijk mate van zekerheid over zijn toekomstige inkomsten en hoeft niet bang te zijn dat zijn business case in elkaar stort bij een tegenvallende stroomprijs. Daar staat tegenover dat eventuele meevallers aan zijn neus voorbijgaan en in de Britse schatkist terechtkomen.

Ontwikkelaars dringen er bij de Nederlandse overheid al jaren op aan om het CfD-model ook hier te introduceren. De dienstdoende bewindspersoon, EZK-minister Eric Wiebes, hield die boot echter lange tijd af omdat het volgens hem de subsidiëring van de windparken in stand houdt. Terwijl hij nu juist zo in zijn nopjes is met het feit dat er geen subsidie is gemoeid bij de toekenning van de twee jongste windpark-concessies. Daardoor was bij EZK het idee gaan leven dat er misschien juist (veel) geld te verdienen was door concessies voor offshore windparken te gaan veilen in plaats van ze te tenderen. De ontwikkelaars zijn daar tegen en zeggen dat een veilingsysteem tot een race naar de bodem leidt met alle risico’s van dien. Wiebes heeft zich gevoelig getoond voor dat argument en heeft aangekondigd dat hij de keus voor CfD in de toekomst wel mogelijk wil maken. Ook in dat geval is er dus een kans dat EZ geld verdient aan de bouw van windparken in plaats van ze te hoeven subsidiëren.