Volgens Boskalis-woordvoerder Martijn Schuttevaer ontstaat ‘bij een positieve uitkomst van het haalbaarheidsonderzoek een concreet project om deze ook te gaan bouwen’. De kans dat de Nederlandse aannemer het prestigieuze project binnen hengelt, lijkt echter behoorlijk groot.

Contractondertekening

Het Iraakse ministerie van olie heeft foto’s online gezet, waarop te zien is hoe vice-premier en olieminister Thamer Abbas Ghadhban en Boskalis-directeur Ko de Blaeij elkaar uitgebreid feliciteren met de contractondertekening. Daaruit blijkt ook dat Irak er veel aan gelegen is om het olie-eiland zo snel mogelijk aan te leggen. Volgens Al Ghadhban vergroot het project de Iraakse exportcapaciteit met drie miljoen vaten per dag en is het daarmee ‘een vitaal project om de nationale economie verder te ontwikkelen en de inkomsten van de schatkist te vergroten.’ Dat kan kloppen: een snelle rekensom leert dat de verkoop van drie miljoen vaten per dag bij de huidige prijzen jaarlijks zeker vijftig miljard dollar in het laatje brengt.

In de vakpers wordt al jaren over het project geschreven en drie jaar geleden meldde het olieplatform S&P Global Platts op basis van een document van Boskalis dat het project een waarde heeft van heeft van minstens 2,25 miljard dollar. Het omvat, behalve het opspuiten van een kunstmatig eiland, de aanleg van twee pijpleidingen vanaf de zogenoemde FAO-terminal aan de kust, een zeewering ter bescherming van een ankerplaats en vier ligplaatsen voor very large crude carriers (vlcc’s), olietankers met een draagvermogen van rond de 320.000 ton. Ook moeten er huizen voor ongeveer 300 mensen gebouwd worden.

Laatste benen

Verder zou op het eiland een tankterminal moeten verrijzen met een capaciteit van  zes miljoen vaten, ruwweg een miljoen kubieke meter. Dat lijkt  relatief weinig ten opzichte van een dagelijkse doorvoer van drie miljoen vaten per dag. Ter vergelijking: de Rotterdamse Maasvlakte Olie Terminal (MOT), een van de grootste importterminals voor ruwe olie ter wereld, heeft een capaciteit van 4,4 miljoen kubieke meter, zo’n 26 miljoen vaten.

Het nieuwe Iraakse olie-eiland moet in het noordelijke puntje van de Perzische Golf op een kilometer of tien ten zuiden van de Al Başrah Oil Terminal (Abot) komen. Dat is een in zee gebouwd beladingsplatform dat volgens Platts goed is voor de helft van de Iraakse olie-export via de Golf. Het complex telt vier vlcc-steigers en vier zogenoemde single-point mooring systems (spm’s), enorme boeien, die elk ook een vlcc kunnen beladen. Het complex uit 1974 loopt echter op zijn laatste benen. Het werd onder meer tijdens de tweede Golfoorlog zwaar beschadigd en is meer dan tien jaar geleden voor het laatste serieus opgelapt.

Volgens het Iraakse olieministerie neemt het eiland-project drie jaar in beslag, waarvan een jaar voor het ontwerp en de voorbereidingen en twee jaar voor de eigenlijke bouw. Tijdens de ondertekeningsceremonie verklaarde De Blaeij verheugd te zijn opnieuw te kunnen samenwerken in Irak, waar Boskalis al ruim dertig jaar actief is.

Zwaaikom

Zo was de Nederlandse aannemer in 2013 nauw betrokken bij de bouw van nieuwe pijpleidingen naar de Abot en het zustercomplex Khor al-Amaya Oil Terminal (Kaot), waarvoor het Singapore Leighton Offshore  hoofdaannemer was. Boskalis baggerde onder andere de sleuven voor de onderzeese pijpleidingen uit en een zogenoemde zwaaikom voor vlcc’s bij een van de laadboeien (spm’s). Alleen al dat laatste omvatte het wegbaggeren van tien miljoen kubieke meter bodemmateriaal.

Een woordvoerder van het olieministerie benadrukte dat het project Itrak in staat stelt om exportmogelijkheden veel beter te benutten. Platts citeert Iraakse bronnen, die zeggen dat het land 400.000 vaten per dag meer zou kunnen produceren, maar niet kan exporteren. Volgens het olieplatform exporteerde Irak in augustus gemiddeld 3,5 miljoen vaten crude per dag. Daarmee is het land na Iran, Canada, Saoedi-Arabië en Venezuela ‘s werelds vijfde olie-exporteur. Rond de 85% wordt via de zuidelijke route door de Perzische Golf en de Straat van Hormuz uitgevoerd, het restant via pijpleidingen in noordelijke richting.

De aanleg van het olie-eiland is onderdeel van een al veel langer bestaand programma om de exportcapaciteit op te voeren tot negen miljoen vaten per dag. Dat omvatte onder meer de introductie van een nieuwe oliekwaliteit, Basrah Medium, naast de bestaande Basrah Heavy en Light. Volgens de oorspronkelijke plannen had die situatie al lang werkelijkheid moeten zijn, maar de geweldsexplosie als gevolg van de komst van Islamitische Staat en de burgeroorlog in het land stonden dat in de weg. De regering mikt nu op 2023 om dat doel te bereiken.

Ondeugdelijk

Dat betekent wel dat de hele infrastructuur van de olie-industrie rond Basrah gemoderniseerd moet worden. Veel bestaande pijpleidingen zijn ondeugdelijk en moeten vervangen of op zijn minst opgelapt worden. Verder moet het FAO export depot uitgebreid worden. Volgens de jongste plannen zouden er 24 tanks van 58.000 kubieke meter bij moeten kopen, goed voor de opslag van zo’n acht miljoen vaten crude. Volgens Oilprice.com, een ander belangrijk platform voor de olie-industrie, is daarover echter nog geen beslissing genomen.

Volgens Oilprice zou export via de noordelijke grens voor Irak eigenlijk een betere optie zijn, omdat het land dan niet afhankelijk is van spanningen rond de Perzische Golf en de Straat van Hormuz. Het meest directe gevolg daarvan is dat er torenhoge verzekeringspremies betaald moeten worden voor de tankers op deze route, wat een flinke hap uit de winstmarge neemt.

Spanningen

Maar de situatie in het noorden is zo mogelijk nog gecompliceerder. De zogenoemde Irak- Turkije-pijpleiding tussen Kirkuk, het centrum van de noordelijke Iraakse olie-industrie, en de Tukse haven Ceyhan, is al jaren niet meer in gebruik als gevolg van de voortdurende ongeregeldheden in het gebied. Daardoor viel ongeveer een miljoen vaten per dag aan exportcapaciteit weg. Irak heeft al verschillende keren plannen aangekondigd om de verbinding te herstellen en weer in gebruik te nemen, maar tot nu toe is het bij woorden gebleven.

Het lijkt er daarmee op dat de kansen voor het uitbreiden van de exportkansen via de Zuidelijke Golf-route een stuk gunstiger zijn en dat Boskalis op het juiste paard wedt. Dat wil zeggen, zolang de spanningen in de regio niet nog verder oplopen en de hoofdrolspelers als Saoedi-Arabië, Iran, de VS en Rusland zich in weten te houden. In dat geval zit er wellicht nog meer voor Boskalis in de pijpleiding.