Dat blijkt uit een recente kamerbrief van demissionair VVD-minister Cora van Nieuwenhuizen (Infrastructuur) in antwoord op vragen van partijgenoot Remco Dijkstra.

Ofschoon MAA als tweede vrachtluchthaven van Nederland in de recente luchtvaartnota een nationale rol heeft toebedeeld gekregen, laat de minister de invulling daarvan voorlopig over aan eigenaar, de provincie Limburg, schrijft zij. ‘Uiteindelijk is het aan de aandeelhouders van Maastricht Airport ‘om een besluit te nemen over de toekomst’.

Vervolgens wil de minister wel bezien ‘of en zo ja in hoeverre het Rijk de gewenste ontwikkelrichting kan faciliteren en ondersteunen’. Van Nieuwenhuizen wijst er daarbij wel op dat de Limburgse luchthaven een zelfstandige onderneming is ‘die zelf verantwoordelijk’ is voor de bekostiging van hun activiteiten’.

Onderbouwing

Of Maastricht Airport zich uiteindelijk kan ontwikkelen tot een gespecialiseerde vrachtluchthaven, zoals verkenner Pieter van Geel recent het Limburgs provinciebestuur adviseerde, is volgens de minister echter niet helemaal aan de provincie en zeker nog geen uitgemaakte zaak. Zo houdt zij als verantwoordelijk minister via de aanvraag voor een nieuw luchthavenbesluit voor MAA uiteindelijk alle kaarten in handen.

‘Ik kan aangeven dat de definitieve plannen ten behoeve van de aanvraag voor een luchthavenbesluit ook moeten worden voorzien van een deugdelijke economische onderbouwing, waarin aandacht wordt geschonken aan de marktpotentie van de luchthaven en de mogelijke omvang voor vrachtverkeer. Deze onderbouwing zal ik te zijner tijd ook laten toetsen’, schrijft de minister.

Van Geel ging recent in zijn advies van bijna een verdrievoudiging van het vrachtaanbod naar bijna 300.000 ton. Een gedegen marktonderzoek ontbrak echter in zijn analyse. Eerder had vrachtanalist Paul Parramore in deze krant al gewezen op deze tekortkoming.

Baanverlenging

Ook voor de beoogde baanverlenging van de huidige 2500 meter naar 2750 meter om meer vrachtvervoer voor de regionale luchthaven te accommoderen, heeft uiteindelijk de minister het laatste woord  ‘Van een verlengde baan is op dit moment geen sprake’, onderstreept Van Nieuwenhuizen.

‘Indien sprake zou zijn van besluitvorming over een verlengde baan, dan moet op dat moment worden bezien wat de consequenties daarvan zijn op het aantal ernstig gehinderden. Dit wordt niet alleen bepaald door de eventuele baanlengte, maar ook bijvoorbeeld door de omvang van het vliegverkeer, de tijdstippen waarop wordt gevlogen, de bestemmingen die worden bevlogen, de vlootsamenstelling (bijvoorbeeld verhouding zwaar – licht verkeer) en het routegebruik.’