In 1883 overleed Karl Marx. Twee andere grote economen uit de moderne geschiedenis zagen in dat jaar het levenslicht. De naam van John Maynard Keynes is de laatste maanden vaak gevallen. Dat gebeurt altijd als de conjunctuur een nieuw dal opzoekt. Overheden proberen ‘anticyclisch’ beleid te voeren door miljardenbedragen in de economie te pompen.

Banken zijn nu gered, ze zijn eigenlijk op bijna Marx-achtige wijze genationaliseerd. De kredietverlening, de bloedsomloop van het geldstelsel en de handel, moet weer op gang komen en investeringen in infrastructuur worden waar mogelijk ‘vooruitgehaald’ om de reële economie te prikkelen.

Menig politicus roept in deze tijden van crisis om ‘meer Keynes’, in de veronderstelling dat investeringen die pas over een jaar zullen plaatsvinden nu al wonderen zullen doen voor de conjunctuur. Vergeten wordt vaak dat Keynes ook adviseert om, zodra de motor weer flink ronkt, de voet van het monetaire gaspedaal te halen.

Die andere belangrijke econoom die in dat jaar, in het Oostenrijks-Hongaarse Moravië, werd geboren, was Joseph Alois Schumpeter. Over hem hoor je minder. Zijn denkbeelden waren misschien ook minder spectaculair dan die van Keynes. De laatste veronderstelde immers dat overheden in staat waren maatregelen te nemen waarmee de economie à la de Baron von Münchhausen aan z’n haren uit het moeras kon worden getrokken.

Daar geloofde Schumpeter niet zo in. In zijn jonge jaren, 1919-1920, was hij minister van financiën van de nieuwe republiek Oostenrijk, in een chaotische periode waarin hij weinig kon uitrichten. Daarna kreeg hij de leiding van een bankinstelling, die in 1924 het loodje legde in de aanhoudende depressie die Oostenrijk na de Eerste Wereldoorlog in haar greep hield. Hij hield er ook persoonlijk een grote schuld aan over.

In de praktijk dus weinig succesvol, deze al in 1909 tot hoogleraar economie benoemde man. Des te bekender is hij om zijn theorie van de ‘creatieve destructie’. Technische innovatie is de enige bron van welvaart en vooruitgang. Bedrijven die alleen uit zijn op ‘meer van hetzelfde’, bedrijven die innovatie niet bevorderen of nieuwe ideeën niet kunnen uitvoeren, zijn ten dode opgeschreven. Zonder verdere vernieuwing leefden we nog in het Stenen Tijdperk. Best te doen, en geen recessies, want steen raakt nooit op. In Keynesiaans beleid had Schumpeter geen oneindig vertrouwen. Het ongericht pompen van geld zou er eerder toe leiden dat gevestigde bedrijven na de crisis gewoon door zouden gaan met wat ze al die tijd al hadden gedaan. Het kapitalisme dichtte hij ook geen grote toekomst toe, omdat hij – toen al – het ware ondernemerschap tot bureaucratisch management zag verworden.

Schumpeter leeft, al is hij in 1950 gedesillusioneerd gestorven. Echte ondernemers staan te trappelen om de economie met hun ideeën een werkelijke impuls te geven. Wie nu met oplossingen kan komen voor economische en maatschappelijke problemen – daarvan zijn er genoeg – heeft de toekomst.