Intussen publiceerde TNO afgelopen oktober een factsheet over emissies en deposities van stikstof in Nederland. Daaruit blijkt dat de Nederlandse stikstofemissies bijna vier keer hoger zijn dan gemiddeld in de EU. Verder is er in Nederland op ruim 70% van de natuurgebieden sprake van overschrijding van de kritische depositie. Dan denk je meteen: hoe meten ze dat? En dan blijkt dat er nauwelijks wordt gemeten, en vrijwel steeds gebruik wordt gemaakt van rekenmodellen en schattingen.

Geen wonder dat TNO bij de publicatie een keiharde disclaimer van twee pagina’s voegt over onzekerheden in de bepaling van emissies, atmosferische concentraties en depositieprocessen. Voor landbouwemissies is die onzekerheid 25%, en voor emissie van stikstofoxiden in het wegverkeer rond de 12%. Het meten van ammoniak-emissies in de lucht is ook moeilijk, aldus TNO: er zijn slechts zeven stations die uurgemiddelden meten, en 250 meetpunten voor maandgemiddelden. Stikstofdepositie door regen is makkelijk meetbaar, maar gebeurt te weinig om representatief te zijn, blijkt verder. Voor het berekenen van de totale depositie worden ook modellen ingezet. Ook hier is de onzekerheid groot: afhankelijk van het gebruikte model ontstaan verschillen tot 50%.

Kan dat niet beter? Jazeker, meldt TNO zelf in de eigen factsheet. Het onderzoeksinstituut spreekt daarin van concrete ontwikkelingsstappen voor een geavanceerd landelijk monitoringsprogramma. Eén daarvan is de inzet van satelliet-data waarmee kan worden gevisualiseerd hoe ammoniak en stikstof zich verspreiden over grote gebieden in Nederland. Daarmee kan ook de import- en export van stikstof onafhankelijk van elkaar worden vergeleken.

Toekomstmuziek? Allerminst. Het blijkt dat TNO al een aantal jaar actief betrokken is bij het Duitse wetenschappelijk project PINETI, dat valt onder het Duitse Umwelt Bundesambt. PINETI brengt daarbij emissie en depositie van stikstoffen in Duitsland nauwkeurig in kaart. Bij de recente rapportage zitten bijvoorbeeld satellietbeelden van locaties waar de kritische depositiewaarden worden overschreden. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het zogeheten LOTUS-EUROS-model, dat door onze TNO is ontwikkeld, om de invloeden van veranderende samenstelling van de atmosfeer en lange-afstandstransport mee te nemen. Kennelijk hebben ze daar in Duitsland via onder meer de hulp van TNO dus veel meer data dan wij.

Samengevat: op basis van de door TNO geschetste onzekerheden lijkt het moeilijk om stikstofbeleid te maken. We kunnen niet meten welk effect de aangekondigde snelheidsverminderingen en veevoedermaatregelen op het totale Nederlandse stikstofplaatje hebben. En dat terwijl mogelijk onze oosterburen wél over de daarvoor vereiste data beschikken. En misschien zijn de stikstofproblemen bij onze oosterburen juíst mede door die beschikbaarheid tot dusver zoveel minder dan bij ons.

Frans Vreede, luchtvaartjurist