Het atoomgetal van onze mol bedroeg van snuit tot puntje staart gemeten 6,02214 maal tien in de drieëntwintigste macht. Deze optocht van cijfers kwam zich, namens de Turijnse schei- en natuurkundige Amedeo Avegadro (1776-1856), tussen de kamerbankjes melden. Maar bijna geen lid van onze volksvertegenwoordiging nam de moeite er, geboeid door het schermpje van de smartphone, eventjes voor op te kijken.

De rekenkundige eenheid mol, niet te verwarren met de vervelende gazonvernieler of de muzieknotatie die we in het Nederlandse ook als ‘bes’ aanduiden, is door Avogadro bepaald als het aantal atomen in twaalf gram koolstof-12. Koolstof is na waterstof, helium en zuurstof de meest voorkomende stof in de natuur. Onze dierlijke mol, die overigens voor een belangrijk deel zelf uit koolstof bestaat, duikt ineens op in de kwestie stikstof, want ook die stof laat zich meten in aantallen atomen per massa. In Nederland wordt het beestje maar zeer beperkt toegelaten per hectare land, namelijk 0,03. In Duitsland zijn we een stuk gastvrijer, 7,0 mol. Dat betekent, om het nu maar platvloers te zeggen, dat onze Oosterburen nog heel gemakkelijk met de uitgifte van vergunningen voor de nieuwbouw van woningen en de aanpassing van infrastructuur kunnen omgaan – en Nederland dus niet.

Voor de goede orde: we hebben het hier niet over koolstof, of laten we zeggen ten dele. Het betreft de hoeveelheid toelaatbare stikstof in de natuur, met name die in natuurgebieden, die op grond van de Europese norm Natura-2000 zijn aangewezen als beschermd terrein. Het zijn er in Nederland 136. Stikstof vormt ongeveer 78% van alle lucht die we in de aardse atmosfeer aantreffen. Niemand, ook een mol niet, heeft er last van, maar deze stof kan nadelig zijn voor bepaalde plantensoorten in onze welomschreven natuurgebieden. Daarbij heeft stikstof de hinderlijke eigenschap zich door de lucht over geruime afstanden te verspreiden, zodat we niet nauwkeurig weten waar hij vandaan komt.

Wanneer onze mol, vooruit: John of Linda, opduikt, is het oppassen geblazen. We weten niet precies welke schade het diertje ons aandoet. Er is de schijnprecisie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), die bijvoorbeeld tot op de microgram pfas, de laagst meetbare eenheid die dit instituut kan vaststellen, weet uit te rekenen dat we op sommige plaatsen ver boven deze norm zitten. Of we er elders ver onder zitten, kan niet worden bepaald. Daarmee wordt het ook moeilijk om te ‘salderen’: een optel- en aftreksom te maken van wat we in Nederland nu uiteindelijk vervuilen boven de Euronormen uit.

Boeren houden niet van mollen, evenmin als tuineigenaren. Bouwers worden van bouwplannen afgehouden wegens zowel de stikstof- als de pfas-norm. In de veeteelt ontwikkelen we nu de ‘poep- en plasnorm’ voor koeien, die hun ontlasting zoveel mogelijk gescheiden moeten afleveren om veel uitstoot van methaangas (in de vorm van ammoniak) te voorkomen. In de bouw ontstaat voorlopig ‘ruimte’ voor de constructie van 75.000 nieuwe woningen, zodat bouwvakkers tegen het einde van het jaar niet zonder baan zitten. In het politieke debat zal de komende tijd nog een lange reeks nullen de revue passeren, waarmee niet noodzakelijk de sprekers zelf worden bedoeld.