De werknemer, in dienst sinds 1996, is in oktober 2016 arbeidsongeschikt geworden. De arbeidsovereenkomst bestaat nog steeds, maar de werkgever heeft geen loonbetalingsverplichting meer, vandaar de term ‘slapend dienstverband’. De werknemer verzoekt de rechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden, onder de voorwaarde dat aan hem de transitievergoeding van 41.225,99 euro bruto wordt toegekend.

De werknemer voert onder meer aan dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie als gevolg van de houding en het (niet) handelen van zijn werkgever. Van de werkgever had mogen worden verwacht de arbeidsovereenkomst te beëindigen, onder toekenning van de transitievergoeding. De werkgever is verwijtbaar nalatig, door het dienstverband slapend te laten voortbestaan. De enige reden om niet tot beëindiging over te gaan, is dat de werkgever geen transitievergoeding wenst te betalen. Hierbij heeft de werkgever geen enkel belang meer, vanwege de Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid, die naar verwachting op 1 april 2020 intreedt. Op grond van deze wet wordt de werkgever via het UWV gecompenseerd voor de te betalen transitievergoeding.

De werkgever verzet zich niet tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar verweert zich wel tegen de toekenning van de transitievergoeding. De werkgever stelt dat van een verstoorde arbeidsrelatie en van ernstige verwijtbaarheid geen sprake is. De werkgever is bekend met het compensatiefonds, bij welk fonds vanaf 1 april 2020 een eventueel betaalde transitievergoeding kan worden teruggevorderd. Op grond van haar liquiditeitspositie kan zij het zich echter niet permitteren de transitievergoeding te betalen.

De kantonrechter wijst het verzoek tot toekenning van de transitievergoeding af. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever is geen sprake. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de werkgever om de overeenkomst in stand te laten. De invoering van de Wet compensatie transitievergoeding maakt dat niet anders. Bovendien staat nog niet vast dat de wet ook per 1 april 2020 ingaat. Dat betekent dat een werkgever de transitievergoeding moet voorfinancieren, zonder dat vaststaat wat de termijn is waarbinnen zij daarvoor wordt gecompenseerd. Nu aan de voorwaarde tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet is voldaan, wijst de rechter ook het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af.

Een arbeidsongeschikte werknemer die langer dan twee jaar ziek is, heeft in beginsel recht op een transitievergoeding bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Voor veel werkgevers is dit aanleiding om een dergelijk dienstverband ‘slapend’  in stand te laten. De werknemer kan proberen de transitievergoeding te bemachtigen door de rechter te vragen de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Die vergoeding is alleen verschuldigd indien sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De kantonrechter in Enschede bevestigt eerdere rechtspraak dat er geen verplichting voor de werkgever bestaat om de arbeidsovereenkomst van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer te beëindigen. Er zijn overigens uitspraken bekend waarin de werkgever wel werd veroordeeld een slapend dienstverband op te zeggen. Inmiddels zijn er over deze problematiek prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.