Bedrijven die dergelijke vaten en IBC’s correct en conform de regels willen aanbieden voor transport en verwerking, moeten rekening houden met een aanzienlijk aantal regels, die volgens het project soms vaag en voor verschillende interpretatie vatbaar zijn.

Logistiek chemicaliën

‘De logistiek van verpakkingen die met chemicaliën vervuild zijn, blijkt voor veel bedrijven een tijdrovende en kostbare bezigheid. Het gaat om een continue en voorspelbare stroom, maar met versnipperde volumes. Het transport van deze lege verpakkingen is relatief duur, omdat in essentie lucht vervoerd wordt’, meldt VIL.

‘Voor de ontdoeners van de lege verpakkingen vormen deze vaten en IBC’s een vervelende reststroom die zo weinig mogelijk mag kosten. Tegelijkertijd moet rekening gehouden worden met veel regels om deze vaten correct te transporteren naar de juiste bestemming voor reiniging of verwerking.’

Problematiek complex

‘Het project heeft duidelijk aangetoond dat de problematiek complex is. Enerzijds door de vele verpakkingstypes, die afhankelijk van de verontreiniging wel of niet naar hergebruik of recyclage kunnen, maar vooral ook door de wettelijke vervoersaspecten, zoals: ADR-wetgeving, labeling, ladingzekering, afvalstatus of niet’, aldus Marc Hofman, Manager Waste & Wastewater bij deelnemend bedrijf Agfa Materials.

Om ervoor te zorgen dat bedrijven door het bos de bomen zouden kunnen zien, heeft VIL een beslissingsboom opgesteld, die schematisch weergeeft wat er gedaan dient te worden met welke soort lege verpakking.

Consolidatiehub onmogelijk

In vergelijking met de grote bulkstromen waarmee de meeste chemiebedrijven te maken hebben, is de betreffende stroom vrij beperkt. Het gaat om vrij lage volumes, met een sterke geografische versnippering. Het opzetten van een consolidatiehub (bijvoorbeeld in de haven van Antwerpen), bleek hierdoor economisch niet haalbaar, al lijkt het op papier een goede oplossing. Ook een multimodale oplossing bleek niet interessant door de lage gewichtsdensiteit van de lege verpakkingen.

‘De producenten en leveranciers van verpakkingen kunnen de problemen mogelijk deels oplossen aan het begin van de keten’, adviseert VIL. ‘Bij het ontwerp van de verpakking moet reeds aandacht besteed worden aan de mogelijkheid tot hergebruik. Leveranciers dienen hun klanten beter te sensibiliseren over wat er met de vaten moet gebeuren na gebruik. Verpakking krijgen op dit moment vaak geen tweede leven meer, ook al is het technisch perfect mogelijk. Veel bedrijven staan echter niet open voor het gebruik van tweedehandsverpakkingen, uit vrees voor kwaliteits- of imagoproblemen.’

Whole spend

‘Bij het aankopen van verpakkingen is nog te weinig aandacht voor de ‘whole spend’ in de totale keten. De dure verwerking aan het einde van de rit kan het gevolg zijn van goedkoop inkopen. De koudwatervrees voor het hergebruik van verpakkingen moet daarom dringend aangepakt worden. Hier kan ook de overheid een rol in spelen, door in overleg met de sector, na te denken over hoe het beter en efficiënter kan’, aldus VIL projectleider Ludo Sys.

Projectdeelnemers zijn 3M, Agfa Materials, Basf, Bebat, Christeyns, Indaver, Janus Vaten, Renewi, Suez, Trafuco, TWZ Group, Vanheede Environmental Logistics en VLS Group Belgium. Het project wordt gesteund door Vlaio, het Agentschap Innoveren en Ondernemen van de Vlaamse overheid.