Zou Melitta Josefa Boedeker kunnen uitgroeien tot de Jean-Marc Bosman van de transportwereld? Jean-Marc Bosman, dat was die Belgische voetballer die in 1995 een rechtszaak won waardoor voetbalclubs sindsdien ongelimiteerd buitenlandse spelers mogen opstellen, met als resultaat dat Nederlandse en Belgische clubs tegenwoordig kansloos zijn tegen Real Madrid en Bayern München.

Of de uit Duitsland afkomstige mevrouw Boedeker ook een dergelijke impact zal krijgen in het Europese wegvervoer, moet de toekomst uitwijzen, maar volgens juridisch medewerker Michelle Vrolijk van Vallenduuk Advocaten vormt een recente uitleg van het Hof van Justitie in de zaak-Boedeker (12 september 2013) in elk geval interessante munitie voor advocaten indien opnieuw transportbedrijven zich voor de rechter zouden moeten verantwoorden voor het tewerkstellen van goedkope buitenlandse vrachtwagenchauffeurs.

Vallenduuk Advocaten behoorde eerder tot het verliezende kamp; het Haarlemse advocatenkantoor verdedigde het Milsbeekse transportbedrijf Mooij, dat Poolse truckers inhuurde via een eigen uitzendbureau in Polen en dat afgelopen mei ook in hoger beroep bij het gerechtshof in Den Bosch te horen kreeg dat deze uitzendconstructie niet door de beugel kan. Mooij had zijn Poolse chauffeurs een Nederlands loon moeten betalen, oordeelde de rechter.

Advocaat Han Vallenduuk heeft sinds die uitspraak nog cassatie in de zaak-Mooij overwogen, maar kon niet de benodigde financiers vinden. Ondernemer Nico Mooij had zelf geen belangstelling meer om de strijd voort te zetten. Er meldde zich wel één andere transportondernemer die bereid was geld op tafel te leggen, maar dat was volgens Vallenduuk niet voldoende. ‘En daarmee is de zaak-Mooij beëindigd. We zullen het ermee moeten doen.’ De zaak ‘Schlecker/Boedeker’ werpt volgens Vallenduuk echter nieuw licht op de zaak. Zijn collega Vrolijk, die eerder al haar doctoraal-scriptie aan de zaak-Mooij wijdde, stelt dat als de ‘Boedeker-uitleg’ van het Hof van Justitie al bekend was geweest tijdens de zaak-Mooij, Mooij zijn zaak waarschijnlijk niet verloren had. ‘Het gerechtshof in Den Bosch had dan tot de conclusie moeten komen dat op het bedrijf van Mooij wel degelijk het Poolse, en niet het Nederlandse, recht van toepassing was.’ Mooij had dan dus wél Poolse chauffeurs van zijn Poolse uitzendbureau in Nederland kunnen laten werken.

‘Tot voor kort speelde het werkland, daar waar de meeste werkzaamheden van werknemers plaatsvinden, de heersende rol in het recht. Er werd niet verder gekeken’, aldus Vrolijk. ‘Maar in de zaak Schlecker/Boedeker werd bekeken of de werknemer niet ook een nauwe band heeft met een ander land, waar hij of zij belastingen en heffingen betaalt.’

De ‘uitleg’ van het Hof van Justitie, dat een nauwe band met een ander land inderdaad zwaar weegt, heeft volgens Vrolijk een hogere waarde dan een uitspraak in een rechtszaak. ‘Voor de zaak-Mooij is het te laat, maar ik denk dat in toekomstige vergelijkbare zaken elke advocaat deze uitleg van het Hof van Justitie te voorschijn zal halen.’

Kunnen slimme transportbedrijven nu hun voordeel doen met de wetenschap van de zaken Mooij en Boedeker? Dat is toch lastig. Zogenoemde ‘sociale dumping’ van Oost-Europese chauffeurs is een technisch bijzonder ingewikkeld probleem, zegt prof. dr. Aukje van Hoek, hoogleraar Internationaal Privaatrecht en Burgerlijk Procesrecht Universiteit van Amsterdam. ‘Ook voor rechters is het heel verwarrend.’ In de discussie over het gebruiken van goedkope buitenlandse chauffeurs worden volgens Van Hoek vaak verschillende begrippen op één hoop gegooid. ‘Bij sociale dumping komen zowel het belastingrecht als het arbeidsrecht en de sociale zekerheid om de hoek kijken. Als je in een bepaalde zaak vaststelt dat het Nederlands arbeidsrecht van toepassing is, hoeft dat niet te zeggen dat ook de Nederlandse belastingen gelden.’

De gevolgen van de zaak-Mooij voor transportcao’s is deze donderdag, na het ter perse gaan van deze krant, het thema van een discussiebijeenkomst van de Vereniging voor Arbeidsrecht: ‘Code oranje voor het vrije werkverkeer in de transportsector?’

Van Hoek, spreker op die bijeenkomst, weet dat de discussie na deze week bepaald nog niet zal zijn afgesloten. Hoewel er de afgelopen tijd volgens de hoogleraar wel vorderingen zijn gemaakt, bijvoorbeeld doordat in de nieuwe cao voor het beroepsgoederenvervoer een regeling is opgenomen voor het inlenen van chauffeurs via buitenlandse ondernemingen, sluiten de cao en de wet volgens haar nog altijd niet goed op elkaar aan. ‘Zo gaat de cao uit van in Nederland gevestigde ondernemingen en chauffeurs die voor een Nederlandse vestiging werkzaam zijn, waar cabotage dus niet onder lijkt te vallen. Het is zeer de vraag of de wetgever dat zo bedoeld heeft. De coördinatie tussen cao en wetgeving is dus bepaald nog niet optimaal.’

Zolang zelfs wetgevers en handhavers hun tanden stuk bijten op dit dossier, is het lastig bedrijven achter de broek te zitten, weet Van Hoek. ‘De handhaving is een minstens zo groot probleem als de regelgeving. Hoe kunnen inspectiediensten regels hanteerbaar maken?’

Zo heeft de zaak-Mooij voor de toekomst maar beperkte waarde, omdat die uitspraak gebaseerd was op een oude cao, aldus Van Hoek.

En Schlecker/Boedeker (aangespannen door een Duitse vrouw die van 1995 tot 2006 voor haar Duitse baas Anton Schlecker in Nederland werkte en die in 2006 tegen haar zin opdracht kreeg weer in Duitsland te komen werken) maakt het de handhavers dus ook niet makkelijker. Dat zal een opluchting zijn voor werkgeversvereniging AWVN, die de uitspraak in de zaak-Mooij eerder ‘niet zo mooij’ voor werkgevers noemde.