Minister Van Nieuwenhuizen spreekt zich niet uit over of de boete wel of niet hoog genoeg is. Ze zegt niet in de beslissing van de strafrechter te treden. ‘Het Openbaar Ministerie had in deze zaak overigens geldboetes van in totaal 12.000 euro geëist, rekening houdend met het feit dat het een oude zaak betrof.’ Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep tegen het vonnis aangetekend.

Wel kan de minister meer uitleg geven over de uitkomsten van het onderzoek van de zeehavenpolitie naar de oorzaak van het ongeval en de juridische aansprakelijkheid. Volgens Van Nieuwenhuizen is de uitkomst van het onderzoek dat aan de kapitein ten laste is gelegd dat hij niet de vereiste voorzorgsmaatregelen heeft genomen.

Bij het afmeren van het schip aan een steiger in de 3e Petroleumhaven heeft hij een verkeerde roerorder, ‘full port rudder’ in plaats van ‘full starboard rudder’, gegeven en is het schip tegen de steiger aangevaren. ‘Zo is er een gat in de romp van het schip ontstaan waardoor een grote hoeveelheid stookolie in het water van de Petroleumhaven is terechtgekomen’, aldus de minister.

Aansprakelijk

Van Nieuwenhuizen schrijft ook dat voorop staat dat de scheepseigenaar aansprakelijk is voor schade die veroorzaakt is door het ongeval met zijn schip. Op grond van internationale verdragen is het mogelijk deze aansprakelijkheid te beperken, zo schrijft de minister. Het gaat om de scheepseigenaar National Chemical Carriers (NCC).

De Noorse rederij Odfjell exploiteert het schip weliswaar, maar huurt het van het Saoedische NCC, onderdeel van de National Shipping Company of Saudi Arabia. Odfjell liet eerder al weten zijn verantwoordelijkheid te nemen voor alle kosten van de schoonmaakactie ‘tot het ‘maximum van zijn wettelijke aansprakelijkheid’. De gehele schoonmaakoperatie van de olieramp wordt door het Havenbedrijf geschat op 80 miljoen euro.

De scheepseigenaar heeft op basis van het Bunkerverdrag en het ‘Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen’ bij de Rechtbank Rotterdam een verzoek gedaan tot beperking van de aansprakelijkheid tot 14.312.384 SDR, ruim 17 miljoen euro. Dit verzoek is zowel door de rechtbank als het hof afgewezen. De zaak wordt op dit moment behandeld door de Hoge Raad, zo schrijft de minister.

Naast het Bunkerverdrag is er de mogelijkheid voor de scheepseigenaar om de schade te verhalen van olietankschepen op grond van het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie (CLC Verdrag). Daarnaast kent volgens de minister het zeerecht geen andere mogelijkheden.

Lagere straf

Ook vragen de Tweede Kamerleden zich af hoe het komt dat de redelijke termijn werd overschreden waardoor de rechter een lagere straf heeft opgelegd. De minister zegt dat het in dit geval gaat om een complexe zaak. ‘In beginsel moet een strafzaak in eerste aanleg binnen twee jaar tot een afronding komen. In dit geval is uitspraak gedaan twee jaar en bijna acht maanden na het incident. Het politieonderzoek was in maart 2019 gereed.’

Daarna is volgens die minister aanvullend onderzoek verricht en in oktober 2019 is de vervolgingsbeslissing genomen. Van Nieuwenhuizen zegt dat de politierechter de overschrijding van de redelijke termijn wel heeft meegewogen, maar omdat de rechter daarnaast de olielekkage slechts als onbedoeld bijeffect kwalificeerde is dit niet doorslaggevend geweest bij de beslissing om een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan geëist door de officier van justitie.

Rampen voorkomen

Tot slot wordt aan de minister gevraagd of zij bereid is te onderzoeken hoe de bescherming van het milieu sterker geborgd kan worden door middel van het strafrecht, om vergelijkbare rampen als gevolg van nalatigheid in de toekomst te voorkomen. Van Nieuwenhuizen antwoordt dat het primaire doel van strafrecht het opleggen van een sanctie is.

Een belangrijk effect hiervan is volgens haar dat er een afschrikwekkende werking van kan uit gaan, maar heeft niet primair als doel om rampen te voorkomen. ‘Een goed functionerend stelsel van vergunningverlening en toezicht is hier ook van groot belang.’