Het Hof heeft kritiek op het corporatische aspect van de wet Major, zeg maar de manier waarop havenarbeiders officieel erkend worden. Het zegt dat een wet op grond waarvan havenarbeid is voorbehouden aan erkende havenarbeiders wel verenigbaar is met het Unierecht, mits deze wet als doel heeft om de veiligheid in de havengebieden te waarborgen en arbeidsongevallen te voorkomen. Het laat het aan de bevoegde Belgische rechtbanken, de Raad van State en het Grondwettelijk Hof, over om op basis hiervan uitspraken te doen. Die hadden eerder zelf principiële vragen doorgespeeld naar het Europees Hof, na klachten vanwege Middlegate en Katoen Natie.

Vrijheid vestiging

In 2014 had de Europese Commissie ook al een aanmaningsbrief gezonden aan België, met de melding dat de Belgische regeling voor havenarbeid in strijd was met de vrijheid van vestiging. Naar aanleiding daarvan paste België de oude wet in 2016 al aan.

Katoen Natie vond die aanpassing echter niet ver genoeg gaan. Binnen de nieuwe wet zou ze geen havenarbeiders uit andere lidstaten dan België in dienst kunnen nemen om in Belgische havengebieden te werken. Middlegate diende een klacht in nadat het een boete had opgelopen wegens tewerkstelling van een niet-erkende havenarbeider. Volgens Middlegate was dit in strijd met het Europese recht op de vrije verrichten van diensten en de vrijheid van vestiging.

Algemeen belang weegt door

Het Europees Hof volgt die argumentatie, maar herinnert er tegelijk aan dat zo’n beperking kan worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang. Het waarborgen van de veiligheid in de havengebieden en het voorkomen van arbeidsongevallen kan zo’n reden zijn. Daarom acht het die Belgische regeling verenigbaar met het Europees recht, tenminste indien de voorwaarden erin zijn gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende criteria op grond waarvan havenarbeiders uit andere lidstaten kunnen aantonen dat zij in hun land van herkomst voldoen aan eisen die gelijkwaardig zijn aan de eisen die gelden voor binnenlandse havenarbeiders. Er mag zeker niet worden gewerkt met een beperkte pool van arbeiders die voor erkenning in aanmerking kunnen komen.

De zwaarste kritiek van het Europees Hof betreft de speelruimte die de erkenningscommissies zichzelf geven. Zo moet binnen de huidige voor elke nieuwe arbeidsovereenkomst een nieuwe erkenningsprocedure plaatsvinden en is er geen maximumtermijn binnen welke de commissie een besluit moet nemen.