Zo heeft het Havenbedrijf een waterstofprogramma om de energiesector te verduurzamen, waaronder faciliteiten die vanaf 2026 blauwe waterstof maken met behulp van restgassen (90%) en aardgas (10%).

Backbone

De hoofdtransportleiding door de haven, oftewel de backbone, krijgt een open toegang voor aanbieders en afnemers van waterstof. De backbone vervoert zowel groene als blauwe waterstof en de planning is dat die in 2023 in bedrijf komt. Het eerste conversiepark voor waterstofproductie moet in datzelfde jaar worden geopend op de Maasvlakte.

Waterstof zal hier centraal geproduceerd worden en via de backbone richting de bedrijven worden getransporteerd. Op het conversiepark wordt met electrolysers waterstof gemaakt. Shell is van plan om daar een 150–250 MW electrolyser in bedrijf te nemen.

Het waterstofprogramma levert volgens Rebel 200 tot 500 structurele FTE aan werkgelegenheid op en meer dan 25 megaton CO2-vermindering per jaar. Wat de economische groei betreft: twee tot vier miljard bruto binnenlands product (bbp). Rebel verwacht hierdoor dat de impact van dit project op de economie medium is (getoetst aan de hand van drie niveaus: laag, medium en hoog).

Energietransitie

Aansluitend op het waterstofprogramma komen er nieuwe buisleidingen tussen Rotterdam, Chemelot en het gebied Noordrijn-Westfalen die de energietransitie in de rest van Nederland en in Duitsland mogelijk moeten maken. De buisleiding transporteert in ieder geval waterstof en CO2, maar mogelijk ook andere (hernieuwbare) producten binnen Nederland en tussen Nederland en Duitsland. De verwachting is dat de buisleiding uiterlijk in 2030 operationeel is. Hiermee faciliteert Rotterdam de energie- en grondstoffentransitie in het achterland.

Dit project levert volgens Rebel 50 tot 100 structurele FTE, en 100 tijdelijke banen, aan werkgelegenheid op. Het effect op de CO2-reductie is nog niet helder. Over de economische groei is ook vooralsnog geen informatie bekend. Dit project scoort een stuk minder dan het waterstofprogramma, mede omdat er nog relatief weinig duidelijk is. Rebel verwacht nu dan ook nog dat de impact van dit project op de economie laag is.

Porthos

Porthos is een derde voorbeeld: het project om CO2 van de industrie af te vangen en op te slaan. Porthos en de vervolgfasen van het project leggen leidinginfrastructuur aan waarmee CO2 kan worden getransporteerd en veilig wordt opgeslagen in lege gasvelden onder de Noordzee.

Het Porthos-systeem bestaat uit een onshore transportleiding in het Rotterdamse haven- en industriecomplex (HIC), compressorstation op de Maasvlakte, offshore transportleiding en een platform met onderliggende gasvelden. In de eerste fase wordt 2,5 megaton CO2 opgeslagen wat in de toekomst kan uitgroeien tot 10 megaton CO2 per jaar.

Zonder dit project en de vervolgfasen lijkt het erop dat Nederland niet kan voldoen aan de Urgenda CO2-uitstootdoelstellingen (25% CO2-reductie in 2020 ten opzichte van 1990 realiseren). In de toekomst kan dit uitgebreid worden door aan te sluiten op andere leidingen met aanvoer vanuit bijvoorbeeld Antwerpen en Gent maar ook uit Chemelot en het Ruhrgebied.

Het is bij Rebel nog niet bekend hoeveel structurele FTE aan werkgelegenheid dit project opbrengt. Wat wel bekend is, is dat het 2000 tot 2500 tijdelijke banen oplevert. De CO2 wordt met 10 tot 25 megaton verminderd per jaar. Wat de economische groei betreft: vier tot tien miljard bbp. Rebel verwacht dat de impact van dit project op de economie hoog is.

Werkgelegenheid

De projecten geven op korte termijn een impuls aan de werkgelegenheid, vooral in de bouwsector, en zorgen volgens Rebel structureel voor minstens 9.000 tot 15.000 extra banen. De verschillende projecten zouden leiden tot een bijdrage aan het bbp van minimaal zeven miljard euro. Wanneer de projecten volledig gerealiseerd zijn, is er meer hergebruik van grondstoffen, minder geluid en meer veiligheid, bijvoorbeeld door transport via buisleidingen.

De beperkte mate van beschikbare economische analyse van de projecten, de verschillende ontwikkelfasen van projecten en de potentie van sommige initiatieven om vooral op lange termijn de Nederlandse economie structureel vooruit te helpen, maken het volgens Rebel niet mogelijk om binnen deze quick-scan de economische impact helemaal te vatten. Hiervoor zou een langer traject nodig zijn. ‘En zelfs dan maken de langetermijnimplicaties van de energie- en grondstoffentransitie dit lastig’, aldus Rebel.

Onderzoek

Het bureau heeft het onderzoek in een periode van vijf weken (juli-augustus 2020) uitgevoerd, op basis van documentatie van het Havenbedrijf, interviews met projectleiders en experts van het Havenbedrijf (en aanverwante organisaties) en een beknopte inhoudelijke toets van sectorexperts bij Rebel.

Gezien de beperkte doorlooptijd van dit onderzoek en de grote omvang van de projecten is dit onderzoek een zogenaamde ‘quick-scan’. Dat betekent dat de diepgang beperkt is en dat dit onderzoek geen maatschappelijke kosten-baten analyse (MKBA) is. Er is geen onderzoek gedaan naar de kosten van maatregelen en er kan daarom geen antwoord gegeven worden op de vraag of de investeringen economisch aantrekkelijk zijn.

Risico’s

De Rotterdamse projecten kunnen samen ongeveer 25% van de totale nationale doelstelling voor CO2-reductie voor 2030 invullen. Maar bij sommige projecten bestaat het risico dat als er op korte termijn geen investering plaatsvindt het Havenbedrijf de concurrentieslag met andere vestigingslocaties, zoals de haven van Antwerpen, deels kan verliezen. Dat risico bestaat bijvoorbeeld bij het buisleidingen-project.

In theorie is het ook mogelijk dat een project zonder inzet en/of bijdrage van de overheid überhaupt niet gerealiseerd wordt, bijvoorbeeld als de randvoorwaarde rondom het stikstofbeleid niet aangepast kan worden of budgetten niet worden gereserveerd. Omdat alle projecten al met verschillende ondersteuningstrajecten bezig zijn, is de aanname voor dit onderzoek dat alle projecten gerealiseerd worden, anders later en/of met een kleinere omvang.