Unitcentre werd begin 1968 opgericht middenin de revolutie in de behandeling van stukgoed in zeehavens, waarbij de zeecontainer zijn intrede deed. In 1966 richtten de grote Rotterdamse stukgoedstuwadoors samen met de NS de Europe Container Terminus (ECT) op.

Aan het einde van dit jaar besloten drie van deze stuwadoors (Quick Dispatch, Pakhuismeesteren en Thomsen) daarnaast hun krachten te bundelen in het Rotterdam Forest Products Centre (ROF). Drie kleinere stuwadoors die bij geen van deze twee initiatieven betrokken waren, lieten in de loop van 1967 blijken zich eveneens in de moderne stukgoedoverslag te willen begeven. Deze drie waren de Rotterdamsche Stuwadoor Maatschappij (RSM), eigendom van Furness, de Internationale Stuwadoors Maatschappij T. & G. Gibb (ISM) en de Stuwadoors Maatschappij Heijplaat (in volledig eigendom van SHV vanaf 1967).

De drie stuwadoors gingen in gesprek over samenwerking, die uitmondde in de stichting van Unitcentre per 1 januari 1968. De met de samenwerking beoogde synergie klinkt vertrouwd voor wie de havengeschiedenis kent: de eerste twee kampten met een (verwacht) gebrek aan ruimte, terwijl Heijplaat juist te weinig lading had om de terminal voldoende te benutten. In deze joint venture kregen SHV en Furness, dat inmiddels ISM had overgenomen, ieder 50%. Unitcentre zou zich – zoals de naam al aangeeft – niet alleen met de overslag van containers, maar ook van andere ‘units’ gaan bezighouden, in het bijzonder forest products.

Bescheiden positie

Er waren anno 1967 nog slechts enkele grote volcontainerlijnen. De meeste rederijen in de trans-Atlantische vaart gingen geleidelijk over op containers, die in de overgangsfase van conventionele schepen naar volcontainerschepen gemengd met het conventionele stukgoed behandeld zouden moeten worden. Op die gemengde behandeling wilde Unitcentre zich op de Heijplaat gaan richten, in welk opzicht zij dus geen tegenhanger was van ECT, die zich vrijwel uitsluitend op containeroverslag toelegde.

Forest products, waar het Furness voornamelijk om ging, zijn nooit door Unitcentre overgeslagen (net zoals het ROF in 1972 een stille dood stierf). Al met al kreeg Unitcentre lang niet zo’n belangrijke rol te vervullen als haar aanvankelijk was toebedacht. Unitcentre kende bijvoorbeeld aanvankelijk geen eigen management en werd er ‘naast’ gedaan door beide initiatiefnemers Hans van Brakel (Heijplaat) en A. Verheul (RSM). Zeker tot 1973 leed de onderneming verlies.

In 1970 had Unitcentre aan de Heijplaat vier containerklanten in de korte vaart, waarmee zij tegenover ECT slechts een bescheiden positie innam. Eind 1970 kwam dan het verrassende bericht dat Unitcentre er in geslaagd was een containerconsortium van vooraanstaande Britse, Duitse en Japanse rederijen in de vaart op het Verre Oosten (het latere TRIO) aan zich te binden. Dit baarde opzien, omdat de verwachting was dat een dergelijk omvangrijk pakket – aangevoerd met grote derde generatie-containerschepen – bij de ECT terecht zou komen.

Klap voor ECT

Voor ECT was de verwerving van Trio door Unitcentre vooral een grote klap, omdat de deelnemers in deze containerterminal er vanuit gingen dat zij een monopolie in de Rotterdamse containeroverslag zouden hebben. Zo’n dreigend monopolie was nu precies de reden dat TRIO koos voor Unitcentre. In hetzelfde jaar werd het nodig een deel van Pier 7 in de Waalhaven (tot dan toe een kolenterminal van SHV) in gebruik te nemen. Unitcentre kon daar relatief goedkoop aan de slag, omdat op Pier 7 een aantal massagoedkranen vrijkwam, die tot 50 tons-containerkranen waren om te bouwen.

Furness besloot desondanks vooral vanwege de hoogte van de investeringen haar 50% belang in Unitcentre in 1970 over te dragen aan SHV ten faveure van de inmiddels via de overname van C. Swarttouw (1969) verworven deelneming in ECT. SHV bracht Unitcentre uiteindelijk in 1976 onder in een samenwerkingsverband met Pakhoed, genaamd Multi-Terminals. Pakhoed, dat een aan Furness tegengestelde beweging had gemaakt en in 1970 juist uit ECT stapte, bracht haar stukgoedactiviteiten op Waalhaven Pier 2 in.

Onder de naam Multi-Terminals Waalhaven (MTW) ging dit bedrijf fungeren als kraamkamer voor de containeractiviteiten van Unitcentre (daartoe behoorde ook nog het stukgoedbedrijf op de Heijplaat). De directeur van Multi-Terminals, Foeke Kuiper (1976-1984), droeg de kraamkamerfilosofie met verve uit. Al ver voor de vorming van Pakhoed in 1967, een samengaan van Pakhuismeesteren en Blauwhoed, had Pakhuismeesteren min of meer het monopolie verkregen op de behandeling van stukgoedschepen van Russische, Oost-Duitse en Chinese staatsrederijen (vandaar de bijnaam ‘De rode pier’ voor Pier 2).

Stukgoedmalaise

Deze rederijen werkten met relatief kleine schepen en gingen relatief laat over op volcontainerdiensten. Wanneer dat laatste zich uiteindelijk toch voordeed kon het stuwadoorswerk voor de staatsrederijen binnen Multi-Terminals worden doorgeleid naar Unitcentre. In de loop van de jaren tachtig zette de containerisatie door en verloor MTW haar kraamkamerfunctie. Het bedrijfsonderdeel werd nu mee meegetrokken in de stukgoedmalaise van die tijd.

Unitcentre hield stand door haar positie als ‘goede tweede’ te koesteren en niet de concurrentie met marktleider ECT aan te gaan. De onderlinge verhoudingen bleven vrij stabiel, waarbij Unitcentre – in aantallen containers gemeten – ongeveer een kwart van de gezamenlijk met ECT bestreken markt in handen had. Lagere tarieven compenseerden de minder geavanceerde apparatuur van Unitcentre, met haar omgebouwde kolenkranen waar ze bij ECT nogal op neer keken.

Het verdwijnen van de kraamkamerfunctie van MTW maakte het gemakkelijker voor Unitcentre om de Waalhaven te verruilen voor de Maasvlakte, maar Pakhoed – sinds 1983 volledig eigenaar van Multi-Terminals – durfde een dergelijke grote investering toch niet aan. In 1993 ging Unitcentre uiteindelijk op in ECT. De ladingpakketten van Unitcentre konden worden verschoven naar de ECT-terminals. Zodoende kwam Pier 7 vrij voor Uniport, de onderneming die Pakhoed – om de prijsconcurrentie van deze kant te beëindigen – in november 1989 nog had proberen over te nemen.

Dit verhaal is geschreven door Hugo van Driel, historicus bij de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit.

Lees ook: