Het is een vermakelijk achterhoedegevecht dat de heer Bonz liefst met steun van de Europese Commissie wil aangaan. Enkele argumenten voor en tegen zijn pleidooi. De Feport-voorzitter veronderstelt volkomen terecht dat schepen met een capaciteit van pakweg 25.000 teu niet meer kunnen worden ontvangen door havens als Hamburg en Bremerhaven. Die gaan naar bijvoorbeeld Rotterdam en Wilhelmshaven. Andere havens krijgen meer een feederfunctie.

De principiële vraag is of je het met die verschuiving eens bent. In Frankrijk zijn bijna nu alle kleine kruideniers, slagers en bakkers weggeconcurreerd door de ‘hypers’. Dat kun je betreuren – bijna niets is fijner dan met een verse baguette onder de arm de boulangerie uitlopen – maar het is een door de vrije-markteconomie gedicteerde ontwikkeling. De zelfstandige winkelier kan zich staande houden door de klant iets bijzonders aan te bieden.

Wat Bonz voorstelt is een vrij gratuite beperking van de capaciteit van schepen tot iets van 20.000 teu. Dit is in strijd met het Europese beginsel van vrije concurrentie.

Het Feport-voorstel grijpt ook aan bij de groepsuitzondering voor allianties van containerrederijen. De EU heeft die regeling ooit in het leven geroepen als alternatief voor het conferencestelsel, waarbij reders vrijuit tariefafspraken met elkaar mochten maken – in de Verenigde Staten zelfs móesten maken. Brussel zal onder geen beding terugwillen naar de rederskartels van vroeger. Evenmin zal de Commissie de huidige regeling willen misbruiken om beperkingen aan de lengte en diepgang van schepen op te leggen.

De toename van de capaciteit van containerschepen is een niet te stuiten fenomeen. Het wachten is op het moment dat meer reders als gevolg van overinvestering in megaschepen op hun rug gaan liggen. Dan zal ik, samen met de heer Bonz, aan de kant staan te juichen.

Lees ook: Havens willen dat EU rem zet op almaar grotere containerschepen