Dit valt op te maken uit juridische stukken in de zaak, die in bezit zijn van Nieuwsblad Transport. Daaruit blijkt verder dat op 11 september een zogenoemde comparitie in de zaak dient. Daarin wint de rechter aanvullende informatie in en kan hij onderzoeken of partijen bereid zijn te schikken. De Rotterdamse rechtbank stelde in maart van dit jaar ondubbelzinnig vast dat de man ruim 4,5 ton had verduisterd en veroordeelde hem die terug te betalen. De man, contractmanager op de afdeling Finance, had daarvoor zelf in totaal dertien facturen in elkaar geflanst en de betaling ervan goedgekeurd.

Geantedateerde inhuurovereenkomst

Uit de stukken blijkt dat HbR de zaak hoog opnam. Het nam KPMG in de arm om de gang van zaken uit te pluizen. Die stelde vast dat de werknemer, Y. H., eigenhandig een nieuw softwarebedrijfje het IT-systeem van de HbR had binnengeloodst, de FMS Group. Basis daarvan was een vervalste en geantedateerde inhuurovereenkomst, voorzien van twee van collega’s ingekopieerde handtekeningen. Daarmee had HbR er, op papier althans, een nieuwe leverancier bij. Die hield zich, zo zou H. later verklaren, bezig met Java development.

Maar voor FMS kon beginnen facturen in te sturen, moesten er eerst nog twee andere obstakels worden overwonnen. Tegenover de facturen moesten inkooporders en zogenoemde prestatieboekingen staan. De eerste waren een fluitje van een cent, die maakte hij zelf aan. De prestatieboekingen vormden ook geen al te groot probleem, daarvoor gaf hij instructies aan collega’s. Hiermee was de buit binnen. Het boekhoudsysteem maakte nummers aan, die FMS op de facturen moest vermelden om ze betaald te krijgen. En zo geschiedde. Tussen eind 2016 en het eerste kwartaal van 2018 werden dertien facturen betaald van in totaal ruim vierenhalve ton.

Alarmbellen

In maart vorig jaar begonnen de alarmbellen af te gaan. ING Bank begon vragen te stellen over de juistheid van de betalingen en vroeg FMS, na contact met het Havenbedrijf, die toe te lichten. Die stuurde alleen een kopie van de eerder genoemde inhuurovereenkomst toe, op grond waarvan het bureau recht meende te hebben op uitbetaling van de facturen. Dat was voor het Havenbedrijf aanleiding om KPMG Advisory opdracht te geven de zaak tot op de bodem uit te zoeken.

ING Bank begon vragen te stellen over de juistheid van de betalingen.

Het onderzoek van KPMG en HbR zelf wees uit dat FMS hoegenaamd geen tegenprestatie voor die vierenhalve ton had geleverd. Dat wordt overigens zwakjes door de advocaten van de tegenpartij bestreden met de verklaring dat er ‘een vorm van tegenprestatie is geleverd door het verrichten van ICT- werkzaamheden in lijn met de inhuurovereenkomst’. Pijnlijker was echter de ontdekking dat FMS op naam bleek te staan van een neef van H. Deze E. Y. stond bij de Kamer van Koophandel geregistreerd als bestuurder en enig aandeelhouder. HbR heeft daarop ook Y. ‘in rechte betrokken’ en eist ook van hem terugbetaling van de geïncasseerde facturen.

Vergoeding onderzoekskosten

Die eis is overigens aangevuld met een eis tot vergoeding van de onderzoekskosten die KPMG in rekening bracht, ruim 380.000 euro. De rechter heeft HbR ook op dat punt in het gelijk gesteld, zij het dat het bedrag is teruggebracht tot ruim 225.000 euro omdat uit de facturen van KPMG niet op viel te maken wie wanneer bepaalde werkzaamheden heeft verricht. De rechter is daarom uitgegaan van 750 uur onderzoek voor een afgerond tarief van 250 euro per uur plus btw. Daarnaast is een eis tot een ‘gefixeerde schadevergoeding’ van ruim 12.000 euro gehonoreerd.

Y. heeft toegegeven dat hij 100.000 euro van FMS ontvangen heeft, maar stelde dat het om een lening ging ten behoeve van de verbouwing van een huis in Marokko. Volgens de advocaten van het Havenbedrijf kon hij daarvan echter geen betalingsbewijzen van aannemers overleggen. Saillant detail is dat Y. in een later stadium een leningsovereenkomst produceerde, waarin hij zich verplichtte om 120.000 euro terug te betalen, terwijl nergens uit bleek dat er nog 20.000 euro naar hem overgemaakt zou worden.

Y. stelde dat het om een lening ging ten behoeve van de verbouwing van een huis in Marokko.

De comparitie op 11 september draait om de rol van Y. en die van een derde persoon, A. A. Ook A. wordt voor terugbetaling van de in totaal ruim zes ton aangesproken. Hij nam in februari, bij wijze van ‘vriendendienst’, FMS over van Y. Dat gebeurde volgens de advocaten van HbR op een nogal bijzondere manier bij een notaris in Utrecht. Y. gaf zijn vriend eerst 5.000 euro, die het geld voor de ogen van de notaris dan weer aan  Y. terug gaf, zodat de notaris getuige was van betaling van de ‘verkoopsom’. A. vond deze gang van zaken wel ‘een beetje vreemd’, maar liet zich geruststellen door de mededeling dat ‘alles in orde was en dat FMS een gezond en goed lopend bedrijf was’.

Pinnen bij geldautomaten

Ook vond A. het ‘wel vreemd’ dat hij in de loop van maart met een FMS-pasje een reeks bedragen bij geldautomaten van de ING Bank moest pinnen voor Y., die dan zelf steeds in de auto bleef zitten. Hij zocht er echter niets achter, totdat hij brieven ontving van de fraude-afdeling van ING. Na aanvankelijke ontkenningen zag hij zich gedwongen toe te geven dat hij ongeveer 7.000 euro had gekregen voor zijn rol in de zaak. Hevig geschrokken heeft hij inmiddels verklaard ‘schoon schip’ te willen maken en heeft hij aangeboden dat geld terug te betalen. Het Havenbedrijf is er echter bepaald niet van overtuigd dat hij zijn handen in onschuld kan wassen totdat het daarvoor hard bewijs heeft gezien.

Volgens de advocaten van het Havenbedrijf hebben Y. en A. tot nu toe geweigerd in te gaan op vragen over hun rol in de fraudezaak. Ze hebben hun raadslieden tot twee keer toe een brief van acht kantjes gestuurd met gedetailleerde vragen als ‘aan wie is de inhuurovereenkomst na ondertekening toegezonden en hoe respectievelijk wanneer is dit gebeurd?’. Daar zijn ze niet op ingegaan. De eerste keer stuurde de advocaat van A. een kort briefje terug met als strekking dat het zijn cliënt nu even niet zo goed uit kwam.

De tweede keer kwam er een reactie vol onbegrip en stelde A’s advocaat dat zijn cliënt wel degelijk inhoudelijk had gereageerd. Ook wees hij erop dat de bewijslast bij het Havenbedrijf ligt. Uit de stukken valt op te maken dat de vragenlijsten aan de orde zullen komen op de comparitiezitting van 11 september. Het Havenbedrijf hoopt dat Y. en A. hun ‘weigerachtige houding’ dan laten varen en met echte antwoorden komen.