Eerder deze maand begon Van Wijk – naast zijn deeltijdhoogleraarschap Future Energy Systems aan de TU Delft – in Groningen aan de opdracht om de positie van Noord-Nederland als de waterstofregio te behouden en verder te versterken. Samen met Gasunie en de Provincie Groningen heeft New Energy Coalition, een kennis- en netwerkorganisatie voor de energietransitie, Van Wijk naar Groningen weten te halen om te werken aan de waterstof­ambities.

Hoogste windsnelheden

Van Wijk pleit al enige tijd voor een noordelijke waterstofeconomie en is daarmee de ideale ambassadeur. Noord-Nederland heeft volgens hem een unieke positie om de groene waterstofeconomie in Europa als een van de eersten te ontwikkelen. Hij geeft daarvoor verschillende redenen.

‘Ten eerste liggen er nu al in de nabijheid van de Eemshaven windparken en worden er nog steeds nieuwe gebouwd. De Duitse bocht kent de hoogste windsnelheden van de Noordzee, wat de opbrengst van de parken vergroot. Er is voor de productie van groene waterstof veel elektriciteit nodig.’

Daarnaast wijst Van Wijk, die als voormalig CEO van Econcern uitgebreide ervaring heeft in investeringen in duurzame energie en de ontwikkeling van de Nederlandse energiesector, erop dat de Eemshaven al lang een productielocatie is voor elektriciteit. Er komen om die reden nu al kabels aan land, zoals een stroomkabel vanuit Noorwegen en in de nabije toekomst vanuit Denemarken.

Aan de andere kant gaan er vanuit Groningen al leidingen en stroomkabels het land in. ‘Het gasnet begint in Groningen, niet in Den Helder of de Maasvlakte, dat maakt Groningen zo geschikt om van gas op waterstof over te stappen. De transportleidingen voor gas kun je dan gebruiken voor het transport van waterstof.’

Zoutkoepels

Maar er is meer. In de zomer, als de verwarming in de huizen niet wordt gebruikt, moet voldoende waterstof worden opgewekt om in de winter aan de vraag te kunnen voldoen. ‘Dat kan door waterstof op te vangen in lege gasvelden op de Noordzee of in zoutkoepels.’

Ook vanuit die optiek is Groningen een geschikte locatie. De ambassadeur kan zich voorstellen dat in de transitiefase ook zogenoemde blauwe waterstof (niet duurzaam opgewekt waterstofgas) wordt gebruikt. Ook dat kan in Groningen, door de nabijheid van verschillende energiecentrales.

‘Daarnaast speelt dat medewerkers van de gasproductielocaties straks op zoek zijn naar ander werk. Ik wil niet zeggen dat die één-op-één de overstap kunnen maken naar een functie binnen het productieproces van waterstof, maar met scholing is veel mogelijk.’

Transitie

Het kabinet Rutte III besloot de gasproductie in 2030 te staken, hierdoor komt capaciteit in het netwerk vrij om waterstof dat in Groningen geproduceerd wordt, te distribueren naar de rest van Nederland. ‘Er zijn wel aanpassingen nodig aan het netwerk, maar het goede nieuws is toch dat die leidingen er liggen.’

Nu is het evident dat, willen we in 2030 op waterstof ‘draaien’, al eerder met de omschakeling moet worden begonnen. Maar dan wordt het netwerk nog gebruikt voor gas. ‘Je hoeft niet meteen helemaal over te stappen. Er lopen vijf grote gasleidingen vanuit Groningen, onder meer een naar Rotterdam. Je begint met het ombouwen van een leiding en schakelt gefaseerd, wijk voor wijk, regio voor regio, over op waterstof.’

Van Wijk maakt overigens duidelijk dat het technisch mogelijk is gas en waterstof tegelijk te transporteren en later weer van elkaar te scheiden. ‘Maar dat zorgt wel voor extra kosten. Dus dat heeft niet de voorkeur.’

Werkgelegenheid

Van Wijk werkt twee dagen in de week aan de beste condities om de noordelijke waterstofeconomie vorm te geven. ‘Alle aspecten komen daarbij aan bod, dus zowel de productie van waterstof als het transport en de opslag ervan.’

Daarnaast onderzoekt de hoogleraar hoe de activiteiten bij kunnen dragen aan de werkgelegenheid in het noorden. ‘Er zullen bedrijven komen die de elektrolyse gaan verzorgen, maar ook toeleveranciers. Daarnaast vind ik het van belang dat ook onderzoek naar de mogelijkheden in Groningen wordt uitgevoerd. Ik wil eigenlijk van ROC’s, via de beroepsopleidingen tot de universiteit, alle opleidingsinstituten bij de transitie betrekken. Ook dat zal leiden tot meer bedrijvigheid.’

Van Wijk ziet zijn rol daarbij vooral als katalysator. Daarnaast wil hij een ‘roadmap’ uitwerken waarin onder andere adviezen, Europese subsidies en overzichten van wettelijke kaders en vereiste aanpassingen van bestaande wet- en regelgeving aan bod komen.