Volgens het OM heeft de zakenman dat bedrag overgehouden aan het zogeheten havenschandaal uit 2004. Toen werd bekend dat Havenbedrijf Rotterdam zich garant had gesteld voor 180 miljoen aan bankleningen aan het RDM-concern van Van den Nieuwenhuijzen. Toen onderdelen van de RDM failliet gingen, bleken de garanties niet opeisbaar en gingen verschillende banken voor in totaal 100 miljoen euro het schip in.

Aanvankelijk had het OM tegen Van den Nieuwenhuijzen een ontnemingsvordering van 42 miljoen ingediend vanwege de faillissementsfraude die hij met RDM gepleegd zou hebben. Dat was voordat de zakenman voor die fraude werd vrijgesproken. Daarna greep justitie een andere reden aan voor de claim: de omkoping van Willem Scholten, directeur van Havenbedrijf Rotterdam tot 2004. Zowel Van den Nieuwenhuijzen als de vorig jaar overleden Scholten is daarvoor wél veroordeeld. Uit een nieuwe berekening die justitie daarvoor had gemaakt kwam toen een veel hoger bedrag naar voren: 111 miljoen.

De Rechtbank Rotterdam oordeelde op juridische gronden dat het hogere bedrag onterecht was, omdat er sprake zou zijn van een geheel nieuwe vordering, in plaats van een aanvulling op de oorspronkelijke van 42 miljoen. Het OM ging tegen die uitspraak in hoger beroep en werd vandaag door het Hof in het gelijk gesteld. ‘Het hof oordeelt dat de nieuwe berekening geen nieuwe vordering betreft’, aldus de uitspraak vandaag.

De ‘vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de Rotterdamse havenzaak’, zoals het Hof het formuleert, ligt nu weer voor aan de Rechtbank Rotterdam.