De Derde Dinsdag in september heeft ons weer overladen met prognoses over de koopkracht en de loonontwikkeling. De oppositie zal met die cijfers niet tevreden zijn. De afschaffing van de dividendbelasting maakt alleen de rijken rijker en de armen armer, zullen verscheidene partijen aanvoeren.

De gewone burger merkt er weinig van dat het al een jaar of vier goed gaat met het land. Werknemers zien er weinig van terug in het loonzakje en de groei van de koopkracht wordt scheef over de bevolking verdeeld. Verdelingsvraagstukken zullen ook dit jaar het ritueel van de Algemene Beschouwingen overheersen.

In sommige kringen wordt de roep luider om de lonen bij zowel de overheid als in de markt krachtig te verhogen. De SP bijvoorbeeld wil daarvoor de Wet op de Loonvorming als middel gebruiken, de in 1970 onder toenmalig premier Piet de Jong ingevoerde wet die de overheid grote bevoegdheden geeft om in de loonvorming in de marktsector in te grijpen. Die wet, door de vakbeweging destijds als ‘Knevelwet’ gehekeld, was bedoeld om een einde te maken aan de loonexplosie die zich sinds 1964 voordeed, en aan de daaruit voortvloeiende opwaartse loon- en prijsspiraal.

Ironie

Het is de ironie ten top dat juist uit linkse hoek stemmen opgaan om deze wet, in die tijd voor de eeuwwisseling een aantal keren aangewend voor loonpauzes en het onverbindend verklaren van bepalingen in nieuwe collectieve arbeidsovereenkomsten, nu in stelling te brengen voor een algemene verhoging van het loonpeil in de gehele marktsector. De vraag is ook of de economie hier veel mee opschiet. In sommige bedrijfstakken en voor sommige beroepsgroepen is er zeker ruimte voor loonstijgingen, maar over de hele linie valt het met de loonontwikkeling nogal mee.

Een graadmeter daarvoor is de arbeidsinkomensquote. Deze AIQ meet het aandeel van de beloning van werknemers en zelfstandigen in de netto toegevoegde waarde die in de marktsector wordt gevormd. In de loop van de achterliggende decennia is de quote gedaald, van gemiddeld 78,5% in de jaren zeventig tot 73% in 2016.

Dat betekent dat een toenemend deel van de vruchten van arbeid toeviel aan de factor kapitaal. De afgelopen drie jaar daalde de AIQ gestaag, leren ons cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. In 2013 ging nog 78 cent van elke in het bedrijfsleven verdiende euro naar de werknemers en de inkomsten uit arbeid van zelfstandigen; de rest, 22 cent, vormde de winsten van bedrijven. In 2016 ontving de factor arbeid 73%.

Daarmee kwam de quote op het laagste niveau sinds 2007. Aan de daling kwam overigens in de jaren 2008-2009 een einde, door de sterke krimp van de economie in 2009, als gevolg van de ernstigste naoorlogse crisis. In 2014 trad een even krachtig herstel in van de bedrijfswinsten en daalde het aandeel arbeid navenant. De fluctuatie van de verhouding tussen het arbeids- en het kapitaalsaandeel in het totaal gevormde product is dus niet structureel, maar voor een deel conjunctuurbepaald.

Poldermodel

Begin jaren tachtig bereikte de AIQ recordhoogten van boven de 80%, met pieken tot 90% en hoger. De erna ingetreden daling wordt voor een deel toegeschreven aan het befaamde Akkoord van Wassenaar uit 1982. Daarbij is – even kort door de bocht geformuleerd – in Nederland het ‘poldermodel’ geïntroduceerd, na jaren van naoorlogse overheidsbemoeienis met de loonvorming in de markt. Dit akkoord zorgde voor matiging van de lonen in ruil voor een verkorting van de arbeidstijd, die voor vergroting van de werkgelegenheid moest zorgen. De sociale partners in ondernemingen en bedrijfstakken, op micro- en mesoniveau dus, treffen hiervoor samen gerichte maatregelen.

Door de meeste economen wordt een AIQ van in de 70% in de Nederlandse verhoudingen niet als bovenmatig hoog beschouwd. Hierbij worden kapitaalverschaffers voldoende beloond en zijn bedrijven ook in voldoende mate in staat te blijven investeren in productiviteit en in bestaande en nieuwe markten. De Nederlandse verhouding steekt tegelijk gunstig af ten opzichte van de wereldwijde AIQ, die in 1975 piekte op 55%, maar terugviel naar 51% in 2015. Dat bleek onder meer uit een een dit jaar gepubliceerd rapport van RaboResearch.

Loongolf

Er is dus wel ruimte voor een kleine ‘loongolf’, zeker als wordt bedacht dat de grote groep zelfstandigen, die tot de factor arbeid worden gerekend, in omvang sterk is toegenomen. Deze zelfstandigen en hun meewerkende huishoudens wordt statistisch een inkomen toegerekend waar hun eigen winsten deel van uitmaken.

Veel van die zelfstandigen komen echter, denk bijvoorbeeld aan zzp’ers in het goederenvervoer over de weg, met hun totale inkomen nauwelijks aan dat van werknemers in dienst van ondernemingen en leveren daarvoor niet zelden een hogere productie. De hun toegerekende winst is veelal papieren winst, maar is feitelijk deel van het arbeidsinkomen. Er wordt al jaren gestudeerd op een nieuwe definitie van het begrip arbeidsinkomensquote om aan de positie van deze groep feitelijke werknemers recht te doen.

De vraag is nu, nadat het kabinet en het Centraal Planbureau hun cijfers weer over ons hebben uitgestrooid, of aan de algemene loonmatiging een einde zou moeten komen. Er zijn genoeg argumenten om dit beleid, dat ook in bedrijven zelf wordt toegepast, eraan te geven. Zo leidt loonmatiging tot vermindering van de koopkracht.

De innovatie wordt erdoor geremd, omdat bedrijven eerder zullen kiezen voor meer inzet van de factor arbeid. Zwakkere bedrijven worden door loonmatiging beschermd, wat de concurrentie van de nationale economie kan schaden. Deze zwakke broeders zullen eerder het prijsniveau drukken, waardoor ook gezonde collega’s in problemen kunnen komen.

Afkoeling

Dat alles staat haaks op de denkbeelden van grote economen als John Maynard Keynes en Joseph Schumpeter. De eerste bepleitte in tijden van economische teruggang het middel van hogere overheidsuitgaven om bedrijven de ruimte te geven meer te investeren. De tweede was de profeet van de ’creatieve destructie’: bedrijven die zich dankzij lage lonen bleven richten op traditionele activiteiten en niet op vernieuwing, moesten geleidelijk het veld ruimen ten gunste van wél innovatieve ondernemers. Merk op dat Keynes er ook voor pleitte om in goede tijden juist de overheidsuitgaven te matigen.

We stelden op gezag van het CBS al vast dat de verhouding in het AIQ voor een belangrijk deel conjunctureel wordt bepaald. Wie nu een lans breekt voor een algemene loonsverhoging, gokt er klaarblijkelijk op dat aan de jaren van opgang voorlopig geen einde komt. De eerste tekenen van een afkoeling zijn er echter al, want de groeivoorspellingen van het CPB voor volgend jaar liggen iets lager dan die voor dit jaar.

Drama

Als deze afkoeling doorzet, wordt een algemene loonsverhoging op mesoniveau een drama. In de transportsector bijvoorbeeld heeft het midden- en kleinbedrijf nog lang niet het winstpeil bereikt dat nodig is om niet alleen de factor arbeid te betalen, maar ook het voortbestaan in de verdere toekomst te verzekeren.

Of dat een ‘creatieve destructie’ à la Schumpeter inluidt, is voorlopig nog maar de vraag. Het eerste gevolg zal een weer sterk groeiende werkloosheid zijn, alsmede teruglopende overheidsinkomsten. Daardoor ontstaat ook verdere druk op de salarissen van ambtenaren (politie, onderwijs) en werknemers in de zorgsector. De vruchten van eventuele innovatie worden pas later geplukt.

De marktsector is eerder gebaat bij selectieve loonsverhogingen, maatwerk dus op meso- en microniveau. Sommige beroepsgroepen lopen duidelijk achter in hun loonontwikkeling, maar dat betekent niet dat alle groepen moeten meedelen in loonsverhogingen. Het zijn de cao-partners en de werkgevers en werknemers op de bedrijfsvloer zelf die dit maatwerk moeten leveren. Dat is de taak die zij, sinds Nederland de geleide loonpolitiek heeft losgelaten, op hun rug hebben genomen.

Ontwrichting

Hetzelfde geldt voor werkgevers en werknemers bij de overheid – die in de AIQ niet meetellen. Het is merkwaardig dat sommigen in de politiek onze sociaal-economische historie zo slecht kennen dat ze algemene loonsverhogingen bepleiten.

In 1963 kondigde de toenmalige minster van Binnenlandse Zaken, Edzo Toxopeus, een algemene loonronde aan voor ambtenaren die tijdens de ene na de andere loongolf in de marktsector begin jaren zestig op forse salarisachterstand ten opzichte van het bedrijfsleven waren geraakt. Deze goedbedoelde maatregel luidde een periode van ontwrichting van de staatsfinanciën in, die pas veel later met veel pijn en moeite kon worden bedwongen door volgende kabinetten.

Als er iets is wat ook de overheid de komende jaren past, is het maatwerk, geen gooi- en smijtwerk. Het is gepriegel op de vierkante centimeter. De tijd van grote gebaren en daarop volgende looningrepen is voorbij.