Het gaat dan om bijvoorbeeld Nederlands staal dat naar Duitsland wordt geëxporteerd om gebruikt te worden in de productie van auto’s. Als deze auto’s in China worden verkocht, dan is China de uiteindelijke consument van goederen. De input komt echter deels uit Nederland.

Het statistiekbureau keek bij deze cijfers naar de zogeheten EU-15. Dit zijn de landen die vóór 2004 lid zijn geworden van de Europese Unie. Dit waren voornamelijk landen in het westen van het continent. Belangrijk om te vermelden dat de rekenmeesters hebben gekeken naar de cijfers van 2014 en eerder. Recentere cijfers zijn niet voorhanden.

Daaruit blijkt dat China en de VS een steeds groter aandeel in de Nederlandse exportverdiensten vormen, door middel van consumptie van producten uit de EU-15 waarin Nederlandse grondstoffen of halffabrikaten zijn verwerkt.

Hoewel een groeiend aandeel van het Nederlandse bbp tot stand komt dankzij export, is de herkomst van deze verdiensten veranderd ten opzichte van 1995. Het aandeel van de EU-15 als finale afnemer neemt af. In 1995 was nog bijna 65% van de totale Nederlandse exportverdiensten te danken aan consumptie in deze landen, in 2014 was dit aandeel nog 52%.

In absolute zin verdient Nederland wel steeds meer dankzij de EU-15. Maar de verdiensten dankzij consumptie in andere landen neemt nog meer toe, zodat het aandeel van de EU-15 toch afnam. De Verenigde Staten, Canada, Mexico, Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika zijn belangrijker geworden voor wat betreft consumptie van Nederlandse goederen en diensten, of producten waarin deze verwerkt zijn.

Ook de landen die in 2004 of later zijn lid geworden van de EU zijn in dit opzicht sinds 1995 belangrijker geworden als consument van Nederlandse goederen. De economische groei in die landen was dan ook vaak hoger dan in de EU-15.

Lees ook: Export bijna 400 keer hoger dan in 1917