De belangenvereniging voor logistieke bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, de CTGG, vraagt zich dan ook af of de wetgeving niet te ver doorslaat. Zo komt er een nieuwe Omgevingswet waarin niet alleen het beperken van het risico centraal staat, maar ook het beperken van de gevolgen voor het geval er daadwerkelijk een incident plaatsvindt. Op het eerste gezicht lijkt dat een prima uitgangspunt. Transport en opslag van gevaarlijke stoffen kan immers niet veilig genoeg gebeuren.

Maar dat de risico’s bij bijvoorbeeld een inlandterminal worden bepaald aan de hand van die ene container met gevaarlijke stoffen die per jaar wordt overgeslagen, is misschien toch wat overdreven. Zeker als je beseft dat er al jarenlang geen enkel dodelijk slachtoffer is gevallen bij een ongeval met gevaarlijke goederen.

Ook nieuwe regels omtrent varend ontgassen brengen logistieke bedrijven in de problemen. Het laadruim van binnenschepen ontdoen van residuen is nu al verboden in dichtbevolkte gebieden, maar is over enkele jaren ook in dunbevolkte gebieden niet meer toegestaan.

Een ontgasinstallatie zou uitkomst kunnen bieden, maar hiervoor een vergunning krijgen is nagenoeg onmogelijk. De installatie moet meteen perfect werken; een proefperiode is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit vooralsnog dat schippers dergelijke installaties niet of nauwelijks kunnen gebruiken, waardoor er nauwelijks andere mogelijkheden zijn om je te ontdoen van restdampen dan om varend te ontgassen.

De oproep van het CTGG voor meer realiteitszin bij politiek en overheid is dan ook begrijpelijk. Gelukkig duurt het nog enkele jaren voordat de diverse nieuwe regels van kracht worden. Hopelijk krijgen beleidsmakers in de tussentijd wat meer begrip voor de positie van vervoerders en verladers. Gevaarlijke stoffen zijn niet geliefd, maar we gebruiken ze allemaal.