Een redelijk besluit. Waarom zouden reders niet hun eigen rommel moeten opruimen? De procedure waarin een eigenaar afstand kan nemen van een schip om zo de aansprakelijkheid te beperken, is niet van deze tijd. Stel je voor dat wij massaal onze kapotte auto’s langs de snelweg laten staan en vanuit de taxi roepen: Ruim jij het effe op, Melanie? Bedankt hè!

Het argument vóór deze ‘abandonment’-regel luidt dat het voor scheepseigenaren anders te duur zou zijn om schepen te exploiteren. ‘De scheepvaart zou dan niet te verzekeren zijn’, legde een woordvoerder van Rijkswaterstaat uit tijdens de bekendmaking dat Nederland de berging van de Baltic Ace ging betalen. Je kan het ook omdraaien. De hoge kosten voor een berging zijn een prima aansporing om ongevallen te vermijden. Met de moderne apparatuur die schepen tegenwoordig aan boord hebben is ongevalvermijding ook helemaal niet moeilijk. De huidige verzekeringsinrichting bestaat alleen maar omdat die zo gecreëerd is.

Het is wat dat betreft best begrijpelijk dat de Belgische staatssecretaris Bart Tommelein (Noordzee) zijn neus ophaalde voor Flinters Letter of Abandonment, ware het niet dat in deze specifieke aanvaring beide schepen Belgische loodsen aan boord hadden. Ambtenaren dus.

Dat aspect is behoorlijk onderbelicht gebleven in deze zaak. Het was Flinter dit en Flinter dat. “K” Line daarentegen werd nauwelijks genoemd. Op de Belgische televisie liet Tommelein weten dat hij niet van plan was om de Belgische belastingbetaler voor de berging te laten opdraaien. Wat denken die Ollanders wel, was zo ongeveer de strekking. Of het daadwerkelijk Flinters schuld is dat de ‘Flinterstar’ op een zandbank voor de kust van Zeebrugge ligt, kan hem kennelijk niet interesseren.

Meermaals zocht Nieuwsblad Transport contact. Pogingen om Tommelein te bereiken, strandden bij zijn woordvoerster. Het Belgische loodswezen nam wel de telefoon op, maar had inhoudelijk weinig te melden. Wij wachten de resultaten van het onderzoek af, was het antwoord. En wanneer is dat onderzoek afgerond? Oh, dat gaat nog máánden duren. Het klonk nog net niet lachend.

Flinter moet ervoor zorgen dat er binnen tien weken een bergingscontract ligt voor het gezonken vrachtschip. Als dat niet lukt, wordt een dwangsom van 300.000 euro per dag opgelegd. De kosten voor het opruimen van de gelekte olie wil Tommelein ook verhalen. Die rekening is inmiddels opgelopen tot 1,82 miljoen euro.

Flinter kan al die kosten wel verhalen, als blijkt dat de schuld niet bij het bedrijf ligt. Helaas voor het bedrijf komt die uitslag pas over maanden. Als niemand meer over de zaak nadenkt, als niemand zich nog interesseert voor wat er in de ochtend van 6 oktober 2015 werkelijk gebeurde, en geen enkele reder zich meer afvraagt waarvoor ze het Belgisch loodswezen eigenlijk betalen.