Zo mocht ik voor een particulier twee schadegevallen behandelen waarbij een hond betrokken was. Daarvoor moest ik het artikel 179 van het Burgerlijk Wetboek erop naslaan, waarin staat: ‘De bezitter van een dier is aansprakelijk voor de door het dier aangerichte schade, tenzij de aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.’

Waar het eenvoudiger geformuleerd op neerkomt, is dat de hondenbezitter in beginsel altijd aansprakelijk is. Een risicoaansprakelijkheid. Hij kan daar enkel onderuit komen door te stellen dat aansprakelijkheid niet zou zijn ontstaan indien hij het dier onder controle zou hebben gehad. In de praktijk komt de bepaling erop neer, dat veel van de schade die dieren aanrichten, door hun bezitter vergoed zal moeten worden. Maar uitzonderingen bestaan wel degelijk, zo ervaarde ik.

Bij het eerste schadegeval dat ik behandelde, liep een hondenbezitter met zijn hond op het trottoir en kwam een tegemoetkomende fietser in aanraking met de hond. De fietser viel en had schade aan zijn kleding, bril en dergelijke, schade waarvoor hij de bezitter van de hond aansprakelijk stelde. De aansprakelijkheid werd afgewezen op grond van het simpele feit, dat je op het trottoir niet mag fietsen.

Bij het tweede schadegeval vermeldde de hondenbezitter op het schadeformulier letterlijk het volgende: ‘De poes van de buren kwam bij ons in de tuin, waar ik mijn hond had lopen. Mijn hond heeft de poes gegrepen, waardoor het dier ernstig werd verwond. Op weg naar de dierenarts is de poes overleden, waarna de buren de poes hebben laten cremeren.’ De buren stelde deze hondenbezitter aansprakelijk voor de kosten van de crematie van hun poes. In dit geval werd de aansprakelijkheid aan de zijde van de hondenbezitter afgewezen omdat de poesbezitter de poes niet onder controle had gehad. De poes was immers zelf de tuin van de buren in gegaan.

Cor van Maurik, consultant