In november 2017 was de chauffeur, rijdend voor Keolis, met zijn bus frontaal in botsing gekomen met een andere bus door de bocht af te snijden. Er was veel schade, passagiers raakten gewond en de andere buschauffeur werd volledig arbeidsongeschikt. Ook de Keolis-chauffeur werd uiteindelijk in juli 2018 arbeidsongeschikt verklaard. Precies een jaar later heeft de strafrechter geoordeeld dat sprake was van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden van de chauffeur in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet. Hij is daarvoor veroordeeld tot 120 uur taakstraf en acht maanden ontzegging van de rijbevoegdheid.

Keolis vindt het rijgedrag zodanig verwijtbaar, dat het bedrijf zijn dienstverband wil beëindigen en heeft de kantonrechter daarom verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder toekenning van de transitievergoeding, de gebruikelijke vergoeding bij ontslag. De chauffeur vindt dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld en zeker niet zo verwijtbaar dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Voor het geval dat de dienstbetrekking eindigt, maakt hij aanspraak op de transitievergoeding. De kantonrechter heeft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 november 2019 uitgesproken, omdat zij van mening was dat Keolis de chauffeur niet meer als buschauffeur kon en wilde handhaven. Van ernstig verwijtbaar gedrag van de chauffeur was volgens de kantonrechter echter geen sprake, zodat Keolis de transitievergoeding (circa € 13.500,- bruto) moest betalen.

De chauffeur verzoekt het Gerechtshof vervolgens te bepalen dat zijn dienstverband wordt hersteld. Keolis voert in hoger beroep aan dat het de transitievergoeding niet wenst te betalen en vordert terugbetaling. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter over de verwijtbaarheid van het rijgedrag en de daarop gebaseerde ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ook deelt het hof het oordeel van de kantonrechter over de verschuldigdheid van de transitievergoeding. Die hoeft de chauffeur dus niet terug te betalen.

Het Gerechtshof stelt dat de chauffeur door een onoverzichtelijke bocht af te snijden een ernstige verkeersfout heeft gemaakt. De verkeersfout was, arbeidsrechtelijk, verwijtbaar omdat Keolis van de chauffeur mocht verwachten dat hij geen fout zou maken die zulke ernstige letsels en zware schade tot gevolg zou hebben. Van opzet of daaraan grenzende bewuste roekeloosheid is echter geen sprake. Bovendien is de verkeersfout eenmalig geweest, en daarom onvoldoende om als ernstig verwijtbaar in het kader van de transitievergoeding te kunnen gelden. De vergoeding is daarom terecht toegekend.

Een werkgever is in beginsel een transitievergoeding verschuldigd aan de werknemer indien de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever wordt beëindigd (artikel 7:673 lid 1 BW). De vergoeding is niet verschuldigd indien de overeenkomst eindigt door ernstig verwijtbaar gedrag van de werknemer (artikel 7:673 lid 7 sub c BW). De kantonrechter en het Gerechtshof oordeelden dat het gedrag van de chauffeur weliswaar een ontslagreden was, maar dat het niet zo ernstig was dat hij zijn vergoeding zou moeten verliezen.