Verder vloog het dak van het AZ-stadion er niet af, dat was immers na een eerdere ineenstorting al preventief geruimd. Gevoetbald werd er trouwens in heel het land niet. Dat was goed nieuws voor de liefhebbers van zaalsporten, die onder koning Voetbal maar zelden aan hun trekken komen.

Je verbaast je telkens weer over de lichtelijke verwarring die zich van de bevolking meester maakt als zich een groot weerevenement aandient. Truckchauffeurs vragen zich terecht af of ze met hun aanhangers wel de Moerdijk op kunnen. De bonden waarschuwen dat ze dat zelf moeten bepalen – en beter niet kunnen doen. Sommige kantoorgebouwen staan in al hun deplorabele lelijkheid vrijwel leeg, wat voor de voortgang van het werkproces meestal niets uitmaakt. Bezoeken worden maar even een paar dagen uitgesteld.

Eigenlijk zijn het zegenrijke dagen, als de stormwind het land teistert. Vroeger hadden we nog winters die het openbare leven wel een week lang konden ontwrichten. Dat wierp de filerijder en de kantoorkoffieconsument terug op zichzelf. Je weet bijna zeker dat dit originelere ideeën opleverde dan de flipover-brainstorms waarmee veel bedrijven hun overschot aan ‘managers’ trachten te rechtvaardigen. Het is op zulke dagen de zuivere rede die het bewind tijdelijk overneemt, de deemoed tegenover de natuur die de haasteconomie op de knieën dwingt.

Het is jammer dat we over een week aan deze periode van berusting en inkeer al geen herinnering meer hebben. De boel moet worden opgestart, hoognodige ‘projecten’ uitgevoerd, de volgende ‘transitie’ worden ingezet. De kippen, gebonden aan hun ‘targets’ aan te leggen eieren, hollen weer zonder kop door de ren.

De waan van de dag regeert, banken wassen weer wit, de tweets van Trump bereiken opnieuw de voorpagina’s, het coronavirus zwakt af en de havenkranen draaien dat het een lieve lust is. De wegen staan nog voller dan een jaar geleden. En er zal, terwijl de regen neerdaalt op onze auto’s en huizen, zich tijdenlang niets bijzonders voordoen.