Als je het haar vroeg, week deze troonrede er niet veel van af. Het Verenigd Koninkrijk moest zo snel mogelijk de Europese Unie uit. Verder zouden er meer verpleegsters komen, meer politieagenten en moesten er honderd-en-één wetten worden gewijzigd. Toen ze de speech had uitgesproken, meldde zich een rijk uitgedoste lakei die haar het kleine stapeltje papier weer afpakte en kon ze het overvolle Westminster verlaten. Ze was deze keer met de Bentley en wilde zo snel mogelijk terug naar Buckingham.

Iemand had uitgerekend dat dit de 66-ste troonrede was die zij sinds 1952 had uitgesproken. Er waren mensen die dat allemaal bijhielden, net zoals er mensen waren die kroonluchters en kronen oppoetsten, schitterende tenues voor paleis- en parlementswachten oplapten en verstelden, de hele ‘pomp and circumstance’ tot op de seconde regisseerden en op camera’s vastlegden. Toen ze thuiskwam, was ze gewoon blij met een paar sloffen en een kopje thee, die een huisknecht haar zonder te vragen was komen brengen. Hij zette zelfs een straalkacheltje aan. ‘Thank you, John isn’t it?’

Ze vroeg zich af of ze Andrew zou uitnodigen op Sandringham. Hij had het nu echt te bont gemaakt, maar anderen zouden wel weer voor haar beslissen. Ze vroeg zich af hoe lang het nog zou duren eer haar eerste minister al die prachtige handelsovereenkomsten met Europa en verre, vreemde werelddelen zou weten af te sluiten. Zou ze zelf tegen die tijd al geen koningin meer zijn? Niet van Schotland, niet van Noord-Ierland, niet van St. Kitts and Nevis? Zelfs niet van Engeland en Wales?

‘John, I could do with…’, zei ze, hem het kopje overhandigend. Hij bracht haar bijna binnen een minuut een gin and tonic. Een schaaltje zoute koekjes en een mooi schoon kanten zakdoekje. Hij schudde haar stoelkussen wat op. ‘We will leave the European Union by the end of January’, herhaalde ze haar openingszin van vanmorgen. En sukkelde kalmpjes in slaap.