Eén miljoen Reichsmark, rekende ik. Dat is duizend keer duizend Mark en je koopt er net een maaltje eten voor. Dus dan heeft het geen enkele zin te sparen, vroeg ik oma. Nee, zei ze, je moet zo snel mogelijk van contant geld af, want morgen is het weer veel minder waard. Ze borg het curieuze biljet weer in het laatje op.

We maken ons anno 2019 vreselijk druk over de ‘negatieve rente’, die dreigt in Nederland. Banken gaan je een bewaarloon voor jouw besparingen berekenen. Vergissen we ons niet: toen de rente nog boven dat getal 0 zweefde, betaalden banken ons een depositierente uit, omdat ze maar wat blij waren dat ze ons geld mochten inzetten voor kansrijke projecten. Dit, een positieve rente voor geld dat banken voor andere doelen kunnen inzetten, blijven ze betalen. En dat bewaarloon? Dat betaal je altijd, want de bank maakt kosten om je geld te beheren. Voor een bankkluis van solide staal betaal je ook.

Het zijn verwarrende tijden. Ik heb bij de economiecolleges altijd geleerd dat een hoge inflatie en een vergelijkbare rente min of meer hand in hand gaan. Het omgekeerde was ook waar. Een negatieve rente vermeerderde de waarde van je geld. Dat laatste kwam weinig voor, maar je hoefde er niet in paniek van te raken. Japanners hebben er voldoende ervaring mee opgedaan.

Wat in die rentediscussie van dit ogenblik vaak wordt vergeten, is dat de effecten van een min-rente de reële inkomens en vermogens niet hoeven te raken. Die staan wel onder druk, maar dat heeft te maken met slechte resultaten van bijvoorbeeld pensioenfondsen in de laatste jaren. Het vervelende is dat een negatieve rente mensen niet verleidt tot meer uitgaven. Dat moet de overheid dus voor ons doen. En laat haar daar nu juist mee bezig zijn. Mijn advies: mensen, maak je niet druk. Althans niet hierover.