De feiten: de chauffeur, in dienst sinds 7 januari 2019, is eind februari arbeidsongeschikt geworden. Op grond van de arbeidsovereenkomst dient zijn werkgever gedurende 104 weken 100% van zijn salaris door te betalen tijdens ziekte. De werknemer heeft begin maart zijn salaris over de maand februari ontvangen. Daarna heeft hij geen salaris meer ontvangen. Ondanks sommaties om tot betaling over te gaan, heeft het koeriersbedrijf niets meer betaald. De werknemer is daarop een kort geding begonnen.

De werknemer vordert in kort geding zijn achterstallig salaris en ook toekomstig salaris totdat het dienstverband zal zijn geëindigd. De werkgever heeft ter zitting (op 23 mei) verweer gevoerd en een ‘Model Beëindigingsovereenkomst Dienstverband’ overgelegd. Daarin staat onder meer dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigt op 31 maart 2019. De werknemer stelt dat zijn handtekening is vervalst.

De kantonrechter hecht weinig waarde aan de door de werkgever op de zitting gepresenteerde beëindigingsovereenkomst. In de eerste plaats betwist de werknemer de echtheid van de handtekening onder de overeenkomst. Bovendien bevreemdt het de rechter dat de werkgever pas op de zitting het document presenteert. Volgens dat stuk is het al op 28 februari ondertekend. Het verbaast de rechter dan ook dat de werkgever het document niet al veel eerder, voordat het kort geding werd gestart, heeft aangekaart. Belangrijker nog: zelfs indien het een authentiek stuk zou zijn, dan nog heeft te gelden dat een goed werkgever zijn (zieke) werknemer behoort te behoeden voor het ondertekenen van een dergelijke overeenkomst, omdat evident is dat de gevolgen daarvan voor de werknemer zeer nadelig kunnen zijn. De rechter concludeert in kort geding dat de arbeidsovereenkomst nog steeds van kracht is en dat de werknemer recht heeft op salaris.

Een arbeidsovereenkomst tussen een werknemer en zijn werkgever kan door middel van een vaststellingsovereenkomst met wederzijds goedvinden eindigen. De werknemer dient daartoe, nadat hij door zijn werkgever juist is geïnformeerd en zonodig juridisch advies heeft ingewonnen, de overeenkomst voor akkoord te ondertekenen.

In een kort geding geeft de rechter een voorlopig oordeel. De rechter oordeelt of het aannemelijk is dat de vordering in een aanhangig te maken bodemprocedure zal worden toegewezen. Deze beoordeling vindt plaats op basis van hetgeen in de procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt.

In het kort geding tussen de chauffeur en zijn werkgever oordeelt de rechter dat het aannemelijk is dat in een bodemprocedure de rechtsgeldigheid van de door de werkgever gepresenteerde beëindigingsovereenkomst met succes kan worden aangevochten. Aangezien ook niet is gebleken dat de arbeidsovereenkomst op andere wijze is beëindigd, luidt de conclusie dat in een eventuele bodemprocedure waarschijnlijk zal worden geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst nog steeds van kracht is. De loonvordering wordt daarom toegewezen.